Smooth Gallery

Zwart/wit- en stille film

 

 

Opkomst van de film

In Amsterdam, op 12 maart 1896, vond de eerste filmvoorstelling in Nederland plaats. In de Kalverstraat op nummer 220 zag men voor het eerst bewegende beelden van onder andere een trein, een lachende baby en een maffe tuinknecht. De beelden werden vertoond door een vertegenwoordiger van de firma Lumière uit Parijs. Deze man maakte een tournee  door Europa om de nieuwste uitvinding, de cinematograaf, onder de aandacht te brengen. Hij had succes, want kort na deze gebeurtenis doken er overal reisbioscopen op die korte filmpjes (voornamelijk uit het buitenland) vertoonden op kermissen, in cafe’s, variété-theaters.

 

 

 

Al snel werd film gebruikt om grote maatschappelijke gebeurtenissen mee vast te leggen, om het daarna al dan niet als propagandamateriaal te kunnen gebruiken. Zo werd de inhuldiging van Koningin Wilhemina vastgelegd in opdracht van F.A Nöggerath sr. (directeur van het Amsterdams theater Variété Flora) onder de titel Inhuldiging Koningin Wilhelmina Te Amsterdam/De Kroningsfeesten (1898). Onverwacht zorgde deze film ervoor dat Wilhelmina in een klap de eerste Nederlandse filmster werd en heel Nederland haar in hun hart sloot.

 

 

 

Op de kermissen werden naast wat buitenlandse films en de populaire Inhuldiging Koningin Wilhelmina Te Amsterdam ook eigen, lokale opnamen vertoond. Zo werd er op de Goudse kermis van 1899 films (reportages) als Het Verlaten Van De Stearinekaarsenfabriek en Het Uitgaan Der Maria Hemelvaart Op Den Kleiweg Na De Hoogmis vertoond. Het succes van deze films lag aan het feit dat men zijn eigen omgeving, zichzelf en bekenden op het witte doek zag. Een trucje dat nog lang gebruikt zou worden om publiek te blijven trekken.

 

 

 

Vernieuwing

De film De Mesaventure Van Een Fransch Heertje Zonder Pantalon Aan Het Strand Te Zandvoort (1905) een komedie van Alberts Frères (Willy Mullens en Albert Mullens) werd via een vernieuwd bioscoopconcept vertoond. Door het gebruik van een pr-beleid werden, voorafgaand aan de vertoning, locale journalisten bestookt met positieve recensies en artikelen van voorgaande voorstellingen. Hiermee probeerde de gebroeders de interesse van de journalisten te kweken. Een toen nog onbekende strategie.

 



In een luxueuze bioscooptent werd een avondvullend programma van filmvoorstellingen met muzikale begeleiding vertoond. Op de avond werden de nieuwste en mooiste buitenlandse producties gecombineerd met de nog steeds zo populaire locale opnamen (die wel steeds meer een fictief karakter kregen). Het programma werd om een aantal dagen vernieuwd om het publiek te blijven trekken. Aparte kindermatinees en een exclusieve galavoorstelling met een grote film maakte de voorstelling compleet.

 

 

Boekverfilmingen

Rond 1907 stagneerde het aantal filmbezoekers. Hoger opgeleid publiek had steeds minder interesse in de korte humoristische films en slapsticks. Dit leidde ertoe dat er ´one real adaptations´ gemaakt werden van werken van Shakespeare en Dante. Zogenaamd Film d’Art, het succes was helaas van korte duur. Boekverfilmingen werden wel steeds populairder en zijn tot op de dag van vandaag een dominant genre.

 

 

Tragiek en ongeluk

In de vroege fictie films overheersten de thema’s ongeluk en tragiek, waarbij een slechte afloop niet geschuwd werd. Waar er later in Amerika gekozen werd voor een goed einde, werd dat in Nederland niet nodig gevonden. De Greep (1909) is hier een goed voorbeeld van. Deze film door Nöggerath jr. en Boedels gebaseerd op het Franse toneelstuk La Griffe. Hiermee was het ook de eerste Nederlandse film die gemaakt werd op basis van een bestaand literair werk.

 

 

Bioscoop

In 1909 liet Albert Mullens zich inschrijven als exploitant van de schouwburgzaal De Kroon in Haarlem. In deze zaal vertoonde hij en zijn broer vijfmaal per week een filmprogramma. Hiermee waren zijn de eerste in Nederland die een bioscoop exploiteerden. Vanaf 1910 ontstonden er in vele grote steden bioscopen en al snel domineerde het bioscoopbedrijf het Nederlandse uitgaansleven. De ontwikkeling van de filmdistributie was de grootste reden voor het succes van de bioscopen. Het was nu mogelijk om met grote regelmaat het filmaanbod te vernieuwen, zonder dat het grote kosten met zich meebracht.

 

 

 

Ontwikkeling

Er was veel vooruitgang op het gebied van film en techniek. Niet alleen qua filmtechniek waren er grote ontwikkelingen. In 1911 gaf Alberts Frères een bioscoopvoorstelling genaamd De Sprekende Film in het Amsterdams Paleis voor Volksvlijt. Na een welkomstwoord door een van de broers op het podium verscheen de ander op het doek en prak het publiek toe. De gefilmde broer vertelde dat ze in Parijs bij de firma Gaumont gelijktijdig met ‘kinematograaf en grammophoon’ hadden opgenomen. Het was niet de eerste keer dat ze een film met bijbehorend geluid op plaat hadden gemaakt en vertoond, maar het was kwalitatief wel de beste tot dan toe.

 


Het duurde tot het eind van de jaren twintig voor dat de geluidsfilm haar intrede deed, dat betekende overigens niet dat films voor die tijd zonder geluid werden vertoond. Films werden begeleid door musici of live van commentaar voorzien. Ook waren er voorstellingen waarbij er achter de schermen professionele zangers en zangeressen meezongen met de film. Theaters zoals Carré in Amsterdam beschikten over eigen orkesten die naast optredende artiesten ook films begeleiden. Bioscopen namen dit idee over, zoals het Rembranttheater en Tuschinski. Deze bioscopen beschikken zelfs over een voor het publiek onzichtbare orkestbak.

 

Naast de combinatie van film en grammofoon werd er ook geëxperimenteerd met andere technieken. In 1906 had Emil Lauste een systeem waarbij geluidstrillingen konden worden vastgelegd op de filmstrook. Deze kon worden afgelezen met behulp van een lichtsensor. Dit systeem leidde rond 1930 tot een revolutie binnen de filmwereld.

 

 

Producenten,  distributeurs en filmvertoners

Door de opkomst van de bioscoop in 1910 veranderde er veel binnen de Nederlandse filmwereld. Waar in het begin de vertoners de filmwereld domineerden en gewend waren om zelf korte fictie films voor eigen voorstelling te maken, ontstond er nu een driedeling die allen hun eigen expertise hadden. De producenten, de distributeurs en de filmvertoners. Deze verdeling zorgde ervoor dat het makkelijker werd om voor een redelijke prijs aan goede, kwalitatief hoogwaardige films te komen. De verdeling is vandaag de dag nog steeds aan de orde.


Een poging om een eigen filmindustrie op te richten faalden, omdat men niet op kon tegen de buitenlandse concurrentie. Het gevolg hiervan was dat de Nederlandse speelfilmproductie in de jaren ’12 en ’13 bijna volledig tot stilstand kwam. In die tijd begon men zich wel te realiseren dat er een markt was voor andere soort producties. Journaals, documentaires en bedrijfs- en educatieve films van eigen bodem. Deze werden niet door het buitenland geproduceerd en waren een welkome aanvulling op het buitenlandse aanbod.

 

 

Filmkeuring

Rond 1912 ontstond er een discussie over het feit dat de bioscoop verderfelijk zou zijn voor kinderen. Het werd een heftig debat met aan de ene kant bezorgde filmcritici en aan de andere kant de bioscoopexploitanten. De discussie ontstond door het feit dat er tot ’s avonds laat kinderen in de bioscoopzalen zaten. Kinderen spijbelden om filmvertoningen te kunnen zien en werden geconfronteerd met zaken die een gevaar vormden voor hun 'tere zieltjes'.

 


Het was niet zo dat de filmcritici tegenstanders van de film waren, maar ze zagen de toekomst van de film meer als middel tot educatie. In 1912 werden er dan ook door een Rotterdamse commissie plannen gemaakt om een Gemeentelijke Schoolbioscoop te realiseren. Deze kwam er in 1918.

 

 

Een ander gevolg van deze discussie was dat andere stadsbesturen besloten om een bioscoopcommissie op te richten, die verantwoordelijk was voor lokale filmkeuring. In 1928 werden deze commissies vervangen door een landelijke Centrale Commissie voor de Filmkeuring.

 

 

Educatieve film

In 1913 maakten zowel de Gemeente Rotterdam als een aantal grote industriële instellingen geld vrij om de Maatschappij voor Wetenschappelijke Cinematografie (later Filmfabriek Hollandia) in staat te stellen de film Onze Scheepvaart (1913) te realiseren.

 

 

De film had twee doelen: de gemeente Rotterdam had hierdoor een film dat een beeld gaf van de Rotterdamse haven en de film kon gebruikt worden voor educatieve vertoning in de Schoolbioscoop. Na deze film werden er steeds meer educatieve/wetenschappelijke films geproduceerd door gespecialiseerde productiemaatschappijen.

 

 

Eerste Wereldoorlog

Ondertussen breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Ondanks dat is het voor de filmindustrie een periode van bloei en voorspoed en bracht in die tijd haar eerste echte filmster voort: Annie Bos (o.a. Majoor Frans (1916) en Het Geheim Van Delft (1917). Van september 1914 tot begin 1919 worden bijna veertig lange speelfilms geproduceerd. Het grootste aandeel kwam van de Filmfabriek Hollandia, maar ook de Rembrandt Film Co en Film Cie produceerde een aantal speelfilms.

 


Het Wrak In De Noordzee (1915) is van alle wel de meest opvallende. De film gemaakt door Amsterdam Film Cie is waarschijnlijk wel het meesterwerk uit periode van de stille film. Helaas waren er ook mindere kanten. Tijdens de oorlog was er praktisch geen mogelijkheid om films aan het buitenland te verkopen en ook de populariteit van de Nederlandse films in eigen land was relatief.

 

 

Volksverhalen

Filmfabriek Hollandia maakte vele films tijdens de jaren van de Eerste Wereldoorlog. Naast Majoor Frans (1916) en Het Geheim Van Delft (1917) maakte het ook de eerste verfilming van het toneelstuk van Herman Heijermans Op Hoop Van Zegen. Met een cast vol grote theater- en filmacteurs van die tijd werd de film net zo’n succes als de toneelversie. Op Hoop Van Zegen werd later ook door van Bauer in 1924 verfilmd voor de Duitse markt, in 1934 als sprekende film uitgebracht door Alex Benno en in 1986 verfilmd door Guido Peters.

 

 

Nog steeds blijken verhalen in volkse setting een belangrijke inspiratiebron te zijn voor de Nederlandse filmproducenten. Vele films die in de tijd van de stille film waren uitgebracht, werden in de tijd van de sprekende film opnieuw verfilmd. Deze films waren meestal net zo succesvol, dan wel succesvoller dan hun stille broertje.

 

 

Actualiteiten en bedrijfsfilms

Journaals en documentaires waren regelmatig onderdeel van filmvoorstellingen. Willy Mullens (Alberts Frères) richt in het jaar 1918 de productiemaatschappij Haghe Film op. Mede dankzij zijn goede contacten met de overheid en industriële bedrijven wist hij talloze opdrachten binnen te halen voor overheid- en bedrijfsfilms. Zo maakte hij in het voorjaar van 1919 opnamen van het bezoek van de Koningin aan Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. De film draagt de naam Glorieus Bezoek Aan Zeeuws-Vlaanderen Van H.M De Koningin. Deze propagandistische film diende de onderlinge verbondenheid tussen de koningin en haar volk te tonen. Later maakte hij ook nog Nederland (1921) waarvan hij het geschoten materiaal graag recyclede voor andere documentaires over Nederland voor binnen- en buitenland.

 


Ook Filmfabriek Hollandia kreeg opdrachten om films voor de overheid te maken, zoals Kijkjes In Het Bedrijf Der Mijnen In Limburg (1919) in opdracht van de Nederlandsche Schoolfilm Commissie. In 1919 verlaat Jules Stoop (regisseur van Kijkjes In Het Bedrijf Der Mijnen In Limburg) Hollandia en begint zijn eigen filmmaatschappij de Filmfabriek Polygoon.

 

 

 

Polygoon maakte in eerste instantie vooral titelkaarten met tussentitels voor stille films, maar begon al snel met het maken van korte documentaires en films in opdracht. Hoewel in 1919 het idee er al is om een tweewekelijkse actualiteitenfilm te maken, gebeurt dat pas in 1921. Dat werden de bekende Polygoonjournaals die in de bioscopen te zien waren. Helemaal na de invoering van de geluidsfilms kreeg het Hollands Nieuws een absolute prioriteit.

 

 

Micro-opnamen en Avant-Garde

In 1924 richtte fotoamateur J.C. Mol het Bureau voor Wetenschappelijke Cinematografie op. De Duitse firma Ernemann had net in 1923 een camera ontworpen die vijfhonderd beelden per seconde kon opnemen, hiermee was het voor Mol mogelijk om micro-opnamen te maken. Hij maakte een film genaamd Anthony Van Leeuwenhoek (1924) over het levenswerk van de wetenschapper. Hij demonstreerde in de film onder andere de groei van kristallen van aluin, salpeter en salmiak. Om zoiets kleins, zo groot in beeld te zien, was zeer bijzonder. De film was dan ook een groot succes.

 

 

In 1927 maakte Mol de film Uit Het Rijk Der Kristallen waarin abstracte patronen van de zich steeds uitbreidende kristallen te zien waren. Dit fenomeen was niet alleen iets wat wetenschappelijk geïnteresseerden aansprak, maar ook de Avant-Garde. Zij roemde de film als een voorbeeld van de absolute film: film die uitdrukking geeft aan beweging, ritme en montage en ontdaan is van dramatische, menselijke handeling.

 

 

Film werd sinds de jaren twintig ook steeds meer gezien als vorm van autonome kunstvorm door filmmakers en kunstenaars. Zij hielden zich niet bezig met de narratieve cinema, maar met de meer artistieke mogelijkheden.

 


In 1927 werd in Amsterdam in besloten kring een Russische film vertoond waarvan openbare vertoning door de plaatselijke autoriteiten verboden was. De film werd beschouwd als Sovjetpropaganda. Geïnspireerd door dit gegeven kwamen een aantal Amsterdamse filmmakers, kunstenaars en intellectuelen op het idee om een filmliga op te richten, waar men in besloten kring films van de Franse, Duitse en Russische avant-garde kon vertonen.

 


Kort hierna volgden ook andere Nederlandse steden. Bij de Filmliga ging het om de film en om het geloof in de zuivere, autonome film, de film als kunst en toekomst. De liga verzette zich tegen het commerciële regime van de (Amerikaanse) bioscoopfilms. Een goed voorbeeld van een Filmliga film is Regen (1929) van Joris Ivens, en Is Er Overeenkomst Tusschen Klank, Rhythme en Kleurafwisseling? (1932) van Willem Bon.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

***(Let op!: deze tekst is een korte samenvatting en absoluut niet compleet. Wij verschaffen de inhoud van de webpagina in de staat waarin deze zich feitelijk bevindt, zonder garantie of waarborg ten aanzien van de deugdelijkheid, geschiktheid voor een bepaald doel of anderszins. De inhoud is experimenteel en voor particulier gebruik bedoeld. Wij zijn niet aansprakelijk voor schade die is of dreigt te worden toegebracht en voortvloeit uit of in enig opzicht verband houdt met het gebruik van de webpagina of met de onmogelijkheid de webpagina te kunnen raadplegen.)