|
Geluidsfilm In 1932 begon toch de geluidsfilm de norm te worden. Als reactie hierop liet Centraal Bureau voor Ligafilms drie korte avant-garde films voorzien van een muzikale soundtrack, waardoor ze meer kans maakten om vertoond te worden. De Steeg (1932) is een van deze films waarbij alledaagse onderwerpen verbeeld door korte shots pas in de montage hun betekenis kregen. Langzamerhand werd er ook steeds meer geëxperimenteerd met kleur en geluid.
Bedrijfsfilm Rond 1933 werd het laten maken van een bedrijfsfilm weer populair. De aanleiding hiervan was het succes van De Macht Van Het Kleine (1933) die in opdracht van de Vereeninging Nederlandsch Fabrikaat (VNF) werd gemaakt. De film die het onderwerp ´Koop toch uit den vreemde niet wat het eigen land U biedt´ behandelde, werd op vele filmavonden die het VNF organiseerde voor zijn leden getoond.
Andere fabrikanten vonden dit een interessant idee en begonnen ook opdrachten te geven aan filmmakers. Tijdens de bezetting zwakte dit wat af, maar na 1945 bloeide de bedrijfsfilm weer op. Dit kwam mede doordat opdrachtgevers nu ook zelf met een 16mm filmprojector vertoningen konden organiseren.
Speelfilm met geluid Het is 1934 wanneer de eerste Nederlandse speelfilm met geluid verschijnt. Het is nog bijna een strijd tussen De Jantjes en Willem Van Oranje. Ondanks dat De Jantjes eerder klaar was, was het toch Willem Van Oranje die officieel met de eer mocht gaan strijken. De Jantjes werd bewust iets later uitgebracht ten gunste van de meer prestigieuze concurrent. Onofficieel was eigenlijk Terra Nova (1932) van Gerard Rutten de eerste film met synchroon lopend geluid, maar helaas is de film nooit in de bioscoop vertoond.
Het invoeren van geluidsfilms bracht naast geweldige mogelijkheden ook beperkingen met zich mee. Waar het bij de stille films makkelijk was om ze internationaal aantrekkelijk te maken, was het voor de geluidsfilms veel ingewikkelder. Door de Nederlandse taal kon de film eigenlijk alleen nog in eigen land een succes worden, hierdoor bracht het een groter financieel risico met zich mee. Dit was uiteraard ook op de buitenlandse films van toepassing.
Dubben en ondertitelen werden pas jaren later ingevoerd. Men moest een andere manier vinden om het buitenland aan te spreken. Een oplossing hiervoor werd gevonden in simultaanproducties. In dit proces werden er tegelijkertijd een Nederlandse en een anderstalige versie gefilmd. Zoals bijvoorbeeld Drie Wenschen (1937) die ook tegelijk in het Italiaans gefilmd werd (I Tre Desideri).
Animatiefilms Tot midden jaren veertig waren korte animatiefilms een vast onderdeel van de bioscoopprogrammering. Korte amusementsfilm en geanimeerde reclames waren er te zien. Een voorbeeld van een Nederlandse geanimeerde reclamefilm is De Lotgevallen Van Ko, De Lachende Koe (1935) voor Friesche Vlag. George Debels maakte vijf afzonderlijke delen die ook als een geheel vertoond konden worden. De film werd geproduceerd door IWA Films die later een speciale afdeling opende waar animatiefilms werden vervaardigd.
Ontwikkelingen Eind jaren dertig kwamen er steeds meer verschillende technieken waarmee nieuw soorten films gecreëerd werden. De Groote Philips Revue 1938 (1937) van de Hongaarse filmmaker George Pàl is daar zo´n voorbeeld van. Pàl had een techniek ontwikkeld waarmee hij houten poppen op een vloeiende, tekenfilmachtige manier kon laten bewegen. De bewegingen werden zorgvuldig afgestemd op de muziek. Dit systeem kreeg de naam ´Puppetoon´.
Groei De Nederlandse film groeide door en begon volwassen en professioneler te worden. Steeds meer films werden door de recensenten beschouwd als films die konden meten met de grote buitenlandse producties. Een daarvan was Vadertje Langbeen (1938) naar de roman en het toneelstuk Daddy-Long-Legs van Jean Webster. Deze film zorgde ervoor dat de filmmaatschappij Neerlandia, waarvan dit de eerste productie was, direct op de kaart stond. Nog belangrijker was dat het vertrouwen in de Nederlandse film, die aardig was weggeëbd, weer helemaal terug was.
Tweede Wereldoorlog De meest films die tussen 1933 en 1945 geproduceerd zijn kwamen tot stand onder Duitse regie. Zo ook de film Boefje (1939), deze werd geregisseerd door de Duitser Detlef Sierck. De film gebaseerd op een waar gebeurt verhaal en de gelijknamige roman van M.J. Brusse kon alleen helaas niet op een slechter moment uitkomen. De mobilisatie was afgekondigd en Frankrijk en Engeland hadden de oorlog aan Hitler verklaard. De Nederlandse filmproductie kwam hierdoor op een laag pitje te staan.
Ondanks de mobilisatie werden er nog wel wat films geproduceerd. Uiteraard vele met het relevante oorlogsthema. Een van de films was Ergens In Nederland (1940) dat zich afspeelde tegen de achtergrond van de mobilisatie. De film ging een maand voor de Duitse invasie in première. Pers en publiek waren zeer enthousiast, maar helaas werd de film samen met De Big Van Het Regiment (1935) en Het Meisje Met Den Blauwenhoed (1934) officieel door de Duitsers verboden. Gelukkig kwam de film, mede door het enthousiasme waarmee het aanvankelijk ontvangen was, na de oorlog opnieuw uit.
Duitse invloed
Film werd door de Duitsers vooral gezien als propagandamiddel. Al snel na de capitulatie begonnen de Duitsers in ons land de filmbranche te reorganiseren. Ze zette samen met de Nederlandse Bioscoopbond (NBB) een expeditiedienst op en brachten met Wehrmacht-auto´s films naar gebieden waar geen treinen meer reden. Verplichte films werden met het Tobis-journaal meegeleverd. De Duitsers gingen zelfs zo ver dat Joodse bestuursleden van de NBB moesten aftreden en joodse bioscoopbezoekers uit de bioscopen werden geweerd. Filmstudio´s Cinetone en Filmstad werden onteigend waardoor de filmproductie volledig in Duitse handen overging.
Na de inval van de Duitsers lagen de Cinetone Studios er verlaten bij. Om te voorkomen dat ze door de Duitsers zouden worden opgeëist, wilde cameraman Theo Güsten er Nederlandse films gaan produceren. Voor een speelfilm over Rembrandt werden de eerste opnamen in het geheim gemaakt. Toen de Duitsers achter de plannen kwamen en de eerste beelden zagen waren ze erg onder de indruk. Het ontbrak de film echter volgens hen aan het ‘juiste’ historische perspectief. Theo Güsten en Gerard Rutten die aan het project werkten, weigerde mee te werken aan de nieuwe invulling. Ondanks dat werd er in de oorlog een film over het leven van Rembrandt gemaakt. Ditmaal door een Duitse regisseur met Duitse en Nederlandse acteurs in de Cinetone Studio´s en in Wassenaar.
Toch werden er ook door Nederlanders films gemaakt die overduidelijk wel een nazi-signatuur hadden. Zo was een van de eerste Nederlandse kleurentekenfilms Van Den Vos Reynaerde (1942) overduidelijk antisemitisch. Deze film gemaakt door Egbert van Putten (Nederland Film) was wel een van de meest ambitieuze van die tijd, kosten nog moeite werden gespaard. De film is echter nooit op het witte doek verschenen, vermoedelijk omdat de Duitsers meer gecharmeerd waren van de films uit de Disney studio´s.
Buiten de bezetter om
Tijdens de oorlog werden er ook nog wel wat films gemaakt zonder bemoeienis van de Duitsers. Deze werden vaak buiten de officiële paden opgenomen. Zo´n film is Moord In Het Modehuis (1943) gemaakt door Alfred Mazure, die ook clandestiene opnamen maakten voor de Engelsen. De film is tijdens de oorlog, ondanks de vraag van bioscoopeigenaren, nooit in de bioscoop vertoond. Na de oorlog heeft hij twee persvoorstellingen gedraaid en daarna nooit meer. Men was er niet meer in geïnteresseerd. Dit was helaas het lot van vele films die tijdens de oorlog gemaakt zijn.
Kinderfilms Na de oorlog leek filmproducerend Nederland door te krijgen dat er ook nog een ander publiek was dan volwassenen; kinderen. Waar voorheen kinderen voornamelijk cowboy- en indianenfilms, komedies en melodrama´s voorgeschoteld kregen, werd het langzaamaan gangbaar om films speciaal voor kinderen te produceren.
Eerder had Dick Laan (bekend van Pinkeltje) al een paar jeugdfilms geproduceerd, waaronder De Droom Van Een Voetballertje (1923), De Club Van De Zwarte Pijl (1932), Twee Kwajongens En Hun Uitvinding (1922) en De Zoon Van Nick Carter En De Moordenaar (1921). Eindelijk kwamen ook andere producenten met jeugdfilms zoals Ridders Zonder Harnas (1947) en later Sjors Van De Rebellenclub (1955); wat spannende (jongens)avonturen waren.
3D-film Rond 1948 werd er geëxperimenteerd met stereoscopische filmbeelden, het 3D-effect. Het zou de vervolmaking van de filmkunst zijn. Er was al kleur en geluid, nu nog de derde dimensie. De Amerikanen en de Russen waren druk bezig met het vervaardigen van de eerste 3D-speelfilms, maar dat wilde echter niet vlotten. Ook de Nederlanders hielden zich ermee bezig. In 1948 waren het de oogarts Reijnders en de ingenieur Weber die eindelijk bijna perfecte testfilms maakten. Met een brilletje met gepolariseerde glazen kon men alles in echte kleuren zien. Helaas door de opkomst van het cinerama-formaat, en de afkeer van de brilletjes bij het publiek, had de stereoscopische film geen toekomst.
Film als propagandamiddel Kort na het begin van de Tweede Wereld Oorlog was het duidelijk voor de Nederlandse regering dat film een heel belangrijk instrument was in de strijd tegen de bezetter. Film was een ultiem medium voor propaganda waarmee ook bondgenoten aangetrokken konden worden. Zo werden er al snel films gemaakt die zich afspeelde in het bezette Nederland; gemaakt met financiële steun van de Nederlandse Overheid.
Na de Tweede Wereld Oorlog werd de Rijksvoorlichtingsdienst opgericht, die later de opdrachtgever zou zijn voor voorlichtingsfilms, waaronder La Familia Real Holandesa. Een film die werd gemaakt voor de reizen die prins Bernhard zou gaan maken naar Latijns- en Zuid-Amerika om een positief beeld van Nederland te geven.
Vissersdrama In de eerste vijftig jaar van de Nederlandse film was de visserij een zeer regelmatig terugkomend thema. In documentaires en in films was het een gewilde achtergrond voor verhalen. Voornamelijk naar voren gebracht door filmers uit het buitenland die erg geïnspireerd werden door het ´vissersdrama´ en de setting. Deze zorgden er dan ook voor dat het niet alleen in hun eigen films naar voren kwam, maar ook dat de Nederlandse filmmakers meer met het thema gingen doen. Vroege films als Op Hoop Van Zegen (1918) en Het Wrak Van De Noordzee (1915) hadden dit thema al behandeld. Een film zoals ´T Schot Is Te Boord (1951) nam het thema weer op sleeptouw. De film nam in een overrompelend verslag de arbeidsintensieve haringvisserij onder de loep. Met de documentaire won Herman van der Horst in 1952 in Cannes zelfs de Grand Prix voor beste documentaire.
Nieuwe impuls Midden jaren ´50 waagde men een poging om de naoorlogse speelfilmproductie in Nederland op gang te brengen. Een van de eerste initiatieven was Ciske De Rat (1955). Het werd een coproductie met Duitsland, naast een Nederlandse versie werd er ook een Duitse gemaakt. De film, die vol Amsterdams decor zit, was duidelijk met het oog op het buitenland geproduceerd. De film vertegenwoordigde Nederland dan ook op het Festival van Venetië en won daar de Zilveren Leeuw.
Productiefonds voor de Nederlandse film
1958 was het jaar waarin Bert Haanstra en Fons Rademakers debuteerden met een speelfilm. Haanstra met zijn film Fanfare en Rademakers met Dorp Aan De Rivier. Beide films waren een van de eerste die mede mogelijk werden gemaakt door het in 1956 opgerichte Productiefonds voor de Nederlandse Film, het huidige Nederlandse Fonds voor de Film. Het initiatief, met als doel het bevorderen van de continuïteit en kwaliteit van de Nederlandse filmindustrie, zorgde ervoor dat de productie van speelfilms in korte tijd enorm steeg.
Dorp Aan De Rivier werd door de Nederlandse pers matig positief onthaald, maar de buitenlandse pers was lovend. De film werd zelfs geselecteerd voor het filmfestival in Berlijn, won een Golden Globe Award en kreeg een nominatie voor een Oscar voor de Beste niet-Engelstalige film.
Kleurenfilm 1958 was ook het jaar waarin de kleurenfilm op originele wijze werd geïntroduceerd. Tijden de begincredits van de film Jenny zag men een boot met wedstrijdroeisters in zwart-wit onder een brug door gaan om er vervolgens in kleur weer onder vandaan te komen.
Met kleur werd al wel in de eerste jaren van de 20ste eeuw geëxperimenteerd. Zwart-witfilms werden met de hand ingekleurd met organische verfstoffen, later ook machinaal. In de jaren dertig kwamen er meer bruikbare systemen, waaronder het Tecnicolor-systeem, weer later pas de moderne kleurenfilm.
Kunstfilm Bert Haanstra werd in 1957 gevraagd om een bedrijfsfilm te maken voor de Verenigde Glasfabrieken Leerdam. Terwijl hij met de film bezig was, kwam hij tot de ontdekking dat de kunst van glasproductie ook een geweldig onderwerp was voor meer. Hij kreeg toestemming om ook een eigen film te maken, die de naam Glas (1959) kreeg. De film werd mede gesubsidieerd door de overheid.
De film waarin beelden van de verschillende facetten van glasfabricage ritmisch op muziek worden vertoond werd een groot succes bij pers, publiek en filmfestivals. In 1960 werd de film zelfs met een Oscar voor de beste korte documentaire onderscheiden en werd jarenlang gebruikt als materiaal in lessen filmmontage op filmscholen over de hele wereld.
De kunstfilm kwam in Nederland pas op in de jaren vijftig, hoewel het buitenland al jaren dergelijke films gemaakt werden. In Nederlandse film werd wel de relatie met de schilderkunst gelegd, maar het duurde lang voordat er documentaires en films over kunst en kunstenaars werden gemaakt.
Een van de eerste films was Vincent Van Gogh, die naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag werd gemaakt. Films en documentaires over Rembrandt (Bert Haanstra), Frans Hals (Frans Dupont), Piet Mondriaan (Nico CramA) volgden, maar ook levende kunstenaars kwamen aan bod zoals Karel Appel in De Werkelijkheid Van Karel Appel (1961) door Jan Vrijman.
Jeugdcultuur Vòòr het midden van de jaren zestig bestond het begrip ´jeugdcultuur´ niet, laat staan dat er speciale tv-programma´s waren voor jongeren. Het gezag van de ouders was nog intact en het zou nog jaren duren voordat het Provo-tijdperk begon. Het was dan ook bijzonder dat Kees Brusse in 1964 de documentaire Mensen Van Morgen uitbracht. Een documentaire bestaande uit gesprekken met dertien verschillende jongeren die openhartig praten over wat hen in die tijd bezig hield. De documentaire zorgde voor een nieuwe kijk op tv- en filmmaken.
Onder de indruk In 1965 kwam Het Korps Mariniers, de film ter gelegenheid van het driehonderjarige jubileum van het Korps, van Paul Verhoeven uit. Na de korte films Een Hagedis Teveel (1960) en Feest (1963) gemaakt te hebben, wist Verhoeven tijdens zijn diensttijd bij de Marine Filmdienst te komen en zijn superieuren ervan te overtuigen dat hij de film moest regisseren. In plaats van een standaard historische documentaire, maakte hij een film vol actie en spektakel. De NOS was zo onder de indruk dat zij in hem de juiste man voor de regie van de nieuwe televisieserie Floris (1969) zagen. Dit was het begin van een indrukwekkende (inter)nationale carrière.
|