Smooth Gallery

Geschiedenis
Nouvelle Vague tot heden


Nouvelle Vague
De uit Parijs afkomstige Nouvelle Vague-beweging in de jaren zestig inspireerde veel Nederlandse filmmakers. Aankomende filmmakers, waaronder studenten van de Filmacademie, vonden inspiratie in de vernieuwingsdrang van de Nouvelle Vague. Tegendraadse montagestijlen, onorthodox gebruik van geluid, verfrissende suggestieve en poëtische filmstijlen creëerden ongelofelijk veel nieuwe mogelijkheden om een verhaal te vertellen.

 

 

Dat jonge regisseurs als Wim Verstappen, Adriaan Ditvoorst, Pim de la Parra en Nicolai van der Heyde door de Nouvelle Vague geïnspireerd werden is goed te zien in hun debuutfilms. Ik Kom Wat Later Naar Madra (1965) van Adriaan Ditvoorst (met als cameraman o.a. Jan de Bont) is hiervan een goed voorbeeld. De film waarin gedachten, dromen en werkelijkheid door elkaar heen geregen zijn,  waar het geluid soms asynchroon gemonteerde is of zonder geluid. De film laat duidelijk zien dat Ditvoorst goed gekeken had naar zijn grote voorbeelden uit de Nouvelle Vague. Zijn film wierf hem in één klap zowel internationale als nationale faam.

 

 

Het duo Wim Verstappen en Pim de la Parra vestigde met hun eerste lange speelfilm twee records, de langste titel en het laagste productiebudget voor een Nederlandse film ooit. De Minder Gelukkige Terugkeer Van Joszef Katús Naar Het Land Van Rembrandt (1966) kostte 7000 gulden om te maken en was geheel met de camera in de hand gefilmd. De film, duidelijk geïnspireerd door de Nouvelle Vague, staat de film toe dat een van de acteurs in de camera kijkt en klaagt over zijn rol. Ook is het geluid van de draaiende camera af en toe te horen.

 

 

Franz Weisz gebruikte ook de manier van de Nouvelle Vague om zijn verhaal te vertellen. In zijn debuutfilm naar het boek van Remco Campert (die tegelijk aan het boek en het script werkte) is de ondogmatische manier van monteren a la Nouvelle Vague goed zichtbaar. Het Gangstermeisje (1966) was een van de eerste films die in première ging, gemaakt door een net afgestudeerde van de Filmacademie.

 

Filmacademie

Er heerste optimisme in de Nederlandse filmwereld. De eerste golf afgestudeerden van de Filmacademie hadden veel succes. Net afgestudeerde regisseurs kwamen redelijk snel aan de bak. Het Productiefonds was net van start gegaan en van de veertig speelfilms die in de jaren zestig in première gingen, waren er dertien door studenten van de eerste golf geregisseerd.

 

16mm
Rond 1960 kwamen de lichtgewicht 16mm-camera´s op de markt. Door de komst van deze camera´s waren er alleen nog een cameraman en een geluidsman nodig om items te filmen. De camera was via een kabel aan een draagbandrecorder verbonden en zo konden geluid en beeld synchroon worden opgenomen.

 

De komst van deze camera´s zorgde voor een grote verandering in de filmstijl van documentaires. Opeens was het mogelijk om op de achtergrond te blijven en als het ware de werkelijkheid te betrappen of juist actief tussen de mensen te filmen. Dit is goed te zien in onder andere de documentaire Omdat Mijn Fiets Daar Stond (1966).

 

 

Stilleven op film
Kunstenaars werden steeds geïnteresseerder in het fenomeen film. Bewegende beelden waarmee ook een stilleven gecreëerd kon worden, dat was erg interessant. Filmpjes als Tulips (1966) uit de reeks Sad Movies van Wim T. Schippers, Willem de Ridder en Wim van der Linden is daar een goed voorbeeld van.

 

Een vrijwel roerloze camera-instelling die een burgerlijk jaren zestig interieur laat zien. Een dressoir met een vaas tulpen waar op ingezoomd wordt, terwijl de muziek aanzwelt. Dan laat er een blaadje los, de camera zoomt langzaam weer uit naar de beginpositie en de muziek zwakt af.

 

Naar aanleiding van deze film werd er door beginnend uitgever Thomas Rap een boekje uitgegeven met daarin foto´s uit de film en teksten van Schippers. Dit soort filmpjes waren een bron van inspiratie voor velen.


Functioneel bloot
Wim Verstappen en Pim de la Parra produceerden gezamenlijk, met hun productiebedrijf Scorpio, een ongekende stroom van films. Hun gezamenlijke creativiteit zorgde voor films die vaak hun tijd ver vooruit waren.

 

Bij de film Obsessions (1969) kozen zij bijvoorbeeld voor Engels als voertaal en buitenlandse acteurs. De film werd van muziek voorzien door de huiscomponist van Hitchcock en zelfs Martin Scorsese schreef mee aan het script.

 

De film werd door de pers niet erg positief ontvangen, maar trok wel veel publiek en werd zelfs aan 64 landen verkocht. Met hun film Blue Movie (1971) hadden ze een kassucces. Ze moesten wel eerst de Filmkeuring overtuigen van het functioneel bloot. De film was zo´n hit dat zelfs Belgen met bussen naar Nederlandse bioscopen kwamen om de film te zien.

 

 

Reeks aan boekverfilmingen
1973 was het jaar van Turks Fruit. Paul Verhoeven zorgde samen met Gerard Soeteman en Jan de Bont voor een van de meest succesvolle Nederlandse boekverfilmingen aller tijden. De film wist meer dan 3,33 miljoen bioscoopbezoekers te trekken en zelfs een Oscarnominatie te verkrijgen. De film doorbrak alle taboes op het gebied van bloot, seks en emoties en startte als het ware een revolutie in filmland. De jaren daarna volgden nog vele boekverfilmingen.

 

 

Bert Haanstra, wereldberoemd als documentairemaker en minder bekend om zijn filmprestaties, verfilmde het boek Dokter Pulder Zaait Papavers (1975). Ondanks dat het niet het succes van zijn film Fanfare evenaarde was het waarschijnlijk wel zijn beste prestatie op filmgebied.

 

 

Paul Verhoeven, Soeteman en de Bont maakten in 1975 weer een grote publiekstrekker. Met Keetje Tippel, gebaseerd op de Franstalige romans Jours De Famine Et De Détresse en Keetje door schrijfster Neel Doff, wisten ze het publiek weer massaal te trekken.

 

Matthijs van Heijningen herontdekte in 1975 het genre ´episodenfilms´ dat enige tijd in de mode was geweest in de jaren zestig. Hij gebruikte het voor zijn Zwaarmoedige Verhalen Voor Bij De Centrale Verwarming, de verfilming van het gelijknamige boek van Heere Heeresma.

 

Het boek bestaande uit vier korte verhalen die afzonderlijk werden verfilmd door de toen jonge regisseurs (Nouchka van Brakel, Ernie Damen, Guido Pieters en Bas van Lecq). Van Heijningen wist met deze en andere initiatieven de jonge regisseurs aan zich te binden.

 

 

Nadat Nouchka van Brakel met succes een van de episodes van Zwaarmoedige Verhalen Voor Bij De Centrale Verwarming (1975) had geregisseerd durfde Matthijs van Heijningen het aan om met haar een lange speelfilm te maken. De film werd de verfilming van Het Debuut (1977) en ging de geschiedenis is als de eerste Nederlandse speelfilm geregisseerd door een vrouw.

 

In de reeks boekverfilmingen kwam Multatuli´s Max Havelaar in 1976 aan bod. Het werd een episch filmdrama waar literaire critici veel commentaar op hadden. Regisseur Fons Rademaker lukte het om de persoonlijke tragiek van Havelaar overtuigend weer te geven en cameraman Jan de Bont wist een aantrekkelijk ‘Indonesische sfeer’ te creëren.

 

Echter was de regering van Indonesië, de regering Soeharto, minder te spreken over het resultaat en het zou dan ook nog elf jaar duren voordat de film in Indonesië werd uitgebracht.

 

Fons Rademakers kwam in 1986 met een nieuwe boekverfilming. Dit keer was Harry Mulisch De Aanslag (1986) aan de beurt.

 

 

In 2001 kwam Jeroen Krabbé met de mega productie The Discovery Of Heaven. Een film met een budget van 30 miljoen gulden was in die tijd de duurste Nederlandse film ooit. Het verhaal gebaseerd op het magnum opus van Harry Mulisch werd flink ingedikt, maar de hoofdzaken bleven hetzelfde. De film werd een internationale uitgebracht.

 

Boekverfilmingen waren in het verleden en tot op de dag van vandaag nog steeds in trek.

 

 

Jeugdfilms
Midden jaren zeventig ontstond er meer interesse in het maken van jeugdfilms. Voornamelijk spannende jeugdfilms met een boodschap zoals Peter En De Vliegende Autobus (1975). De films plaveide de weg voor een nieuwe generatie succesvolle kinderfilmmakers.

 

 

 

In 1978 was het de beurt aan Pinkeltje naar het verhaal van Dick Laan. Het verhaal werd verfilmd met voor die tijd de meest moderne technieken om bijvoorbeeld grote mensen als kleine kabouter in beeld te krijgen.

 

 

Pas in de jaren negentig kreeg het genre jeugd/kinderfilms echt een nieuwe impuls. Niet alleen in Nederland was er opeens weer veel waardering voor de nieuwste generatie films voor kinderen, ook in het buitenland was men er enthousiast over. Mijn Vader Woont In Rio (1989), Kunst En Vliegwerk (1989), De Tasjesdief (1995), De Jongen Die Niet Meer Praatte (1995) en Lang Leve De Koningin (1995) zijn allen goede voorbeelden van succesvolle kinderfilms. Sommige wonnen zelfs prijzen op binnen- en buitenlandse filmfestivals.

 

De kracht was dat de Nederlandse kinderfilm kinderen eindelijk serieus begon te nemen. Het succes van deze films en de toegenomen aandacht van het Nederlands Fonds voor de Film droegen bij aan een klimaat waarin de kinderfilm goed kon gedijen.

 

Het buitenland trekt
In 1977 is Paul Verhoeven alweer een tijdje bezig wanneer hij Soldaat Van Oranje maakt. De film was gebaseerd op het autobiografische boek Het hol van de ratelslang van Erik Hazelhoff Roelfzema. Wederom werkte hij met Rutger Hauer en Jeroen Krabbé, alleen Jan de Bont was er deze keer niet bij.  De film werd een groot succes met meer dan anderhalf miljoen bezoekers en kreeg veel aandacht vanuit het buitenland. Het zorgde ervoor dat Verhoeven, Hauer en Krabbé mogelijkheden kregen om in Hollywood aan de slag te gaan.

 

 

Filmtijdschriften

De eerste generatie van de Filmacademie had in 1963 het tijdschrift Skoop opgericht als platform voor nieuwe ideeën. Na de studentenrevoltes van de eind jaren zestig werd de Skoop-groep te behoudend gevonden en richtte de nieuwe lichting studenten het tijdschrift Skrien op. Hiernaast begonnen ze met in collectief gemaakte films met sociale en politieke thema’s. Dit werd het Amsterdams Stadsjournaal (1974-1984). De filmpjes waren van verschillende lengte en vorm. Een filmpje genaamd Fietsen, won zelfs een prijs op een Portugees kinderfilmfestival. De films stonden ook enige tijd in het voorprogramma van bioscoop The Movies.

 

 

Protest tegen amusementsfilms
Eind jaren zeventig investeerde de Nederlandse Bioscoopbond en grote filmdistributeurs voornamelijk in amusementsfilms voor een groot publiek. De artistieke film werd hierdoor in een hoekje gedrukt en er werd nog weinig in geïnvesteerd. Deze situatie zorgde voor een protest vanuit een groep filmstudenten.

 

Een aantal van hen, Leon de Winter, René Seegers en Jean van de Velde, richtten de Eerste Amsterdamse Filmassociatie (EAFA) op. Zij hoopten hiermee 'relatief goedkope, lange speelfilms, die door een onafhankelijke financiering en een zorgvuldige aandacht voor het scenario en het thema een alternatief vormden voor de doorsnee amusementsfilm' te kunnen maken. Zij bewerkten zelf de Winters boek De (ver)Wording Van De Jongere Dürer (1979), waarmee ze een alternatief boden voor het uitgekauwde concept 'spanning, seks, geweld en een autoachtervolging'.

 

Een andere tegendraadse filmmaker was Theo van Gogh. Hij kwam in 1981 met zijn debuutfilm Luger. Al vanaf deze film zorgde hij voor rellen in de filmwereld. Zijn behoefte om te provoceren, om geen concessies te doen, zorgde ervoor dat hij een van de meest omstreden filmmakers van Nederland werd. Of het nou gaat om Loos, Vals Licht of De Pijnbank, van Gogh kon zelden weerstand bieden aan de verleiding een valse sneer uit de delen aan zijn vijanden.

 

 

Films maken in Nederland
Nederland is altijd een land geweest waarin filmmaken eerder als een ambacht gezien wordt dan als een industrie. Het heeft ook nooit een reputatie voor een bepaald genre opgebouwd, mede doordat er geen gestage stroom van een bepaald genre is ontstaan.

 


De horrorfilm bijvoorbeeld is zelfs een genre dat in Nederland maar in mondjesmaat wordt geproduceerd. Een van de bekendste en grootste successen in dit genre is De Lift (1983), de eerste grote bioscoopfilm van Dick Maas. Een film waarin de menselijke angst voor moderne techniek uitgewerkt wordt door gruwelijke scènes enorm te overdrijven. Verder films uit het genre avonturenfilm, fantasiefilm en animatiefilm zijn zeer schaars. Het enige wat zeer tekenend is voor Nederlandse films is het soort humor.

 

 

De school van de Nederlandse humor
Ruud van Hemert brengt in 1984 de film Schatjes! uit. De film met als thema de eeuwige strijd tussen ouders en kinderen, was een groot succes. Schatjes! kan worden gezien als een voorbeeld voor de school der Nederlandse humor, die van midden jaren zestig tot eind jaren negentig een beruchte reputatie opbouwde. Samen met films zoals Wat Zien Ik? (1971), Help De Dokter Verzuipt! (1974), Boezemvriend (1982), Flodder (1986) en De Noordelingen (1992) geeft het een goed beeld van komisch Nederland.

 

Banale dagelijkse handelingen en het gewaagde, schuine vaak obscene karakter van de Nederlandse komedie is verheven tot handelsmerk. Autoriteiten worden bijna altijd neergezet als huichelaars en opgeblazen idioten, die alleen zelf in hun verworven macht geloven. De Nederlandse komedies geven bijna altijd de Nederlandse leefregel mee; Waag het niet om jezelf te serieus te nemen, want hoon en spot zullen je deel zijn.

 

 

De provincie
In Nederlandse films is het niet ongewoon om de provincie te gebruiken als versterking van een thema. Film als Twee Zeeuwsche Meisjes In Zandvoort (1913), Mijntje En Trijntje Op De Schaats (1913), en Fanfare (1958) zijn een goed voorbeeld hiervan.

 

 

Een lange tijd na deze films bleef de provincie wel aanwezig, maar meer als decor. Pas met films als Andy- Bloed En Blond Haar (1978) en Spetters (1979) kwam de provincie weer naar voren. De Dream (1985) van Pieter Verhoeff is ook een goed voorbeeld. Het Fries werd in de film niet uit folkloristisch motief gebruikt, maar was een essentieel deel van het verhaal als taal van het volk werd het tegenover de taal van de heersende macht gezet.

 

Ook in Wilde Mossels (2000) speelt de provincie een grote rol. Het leven lijkt er eenvoudig en vredig, maar de onderhuidse spanningen zijn te voelen. Het verlangen van de jeugd om te ontsnappen aan de benauwende familiebanden en opvoeding is groot. De provincie verlaten lijkt de enige weg naar vrijheid.

 

 

Publiekstrekkers
1986 was het jaar waarin veel Nederlandse speelfilms werden uitgebracht die een groot publiek bereikte. Abel van Alex van Warmerdam, een komedie met een absurde kijk op het leven, zette Warmerdam definitief op de Nederlandse filmkaart. Mama Is Boos! van Ruud van Hemert, die de film Schatjes! opvolgde, was ook weer een succes.

 

 

Dick Maas kwam in dit jaar met Nederlands grootste succesfilm Flodder (1986). Het reclameoffensief voor de film was niet te negeren, met als gevolg dat de meeste grappen nog voor de première op tv te zien waren. Toch kochten meer dan tweeënhalf miljoen bioscoopbezoekers een kaartje om het geheel te zien.

 

 

Buitenlandse remakes
George Sluizer waagde zich aan een boekverfilming in 1988. Het Gouden Ei van Tim Krabbé had hem dermate geïnspireerd dat hij het boek omtoverde tot de psychologische thriller Spoorloos waar alles op zijn plaats viel.

 

Het was niet ongewoon dat wanneer een buitenlandse film in Amerika indruk maakte er een Amerikaanse versie van werd gemaakt. Meestal gebeurde dit op zo’n Amerikaanse manier dat alle charme van het origineel verdwenen was. Sluizer kreeg echter de kans om zelf een Amerikaanse versie (The Vanishing) te maken, maar dan wel met happy end.

 

 

Opleving van de filmindustrie
Begin jaren negentig waren er eindelijk weer filmacademiestudenten die films maakten die het heel goed deden. In 1991 werd de eindexamenfilm De tranen van Maria Machita (1991) van Paul Ruven bekroond met een Gouden Kalf in de categorie Korte Film. Het jaar erna was het Gouden Kalf voor beste Nederlandse speelfilm voor Ian Kerkhof met zijn film Kyodai Makes The Big Time. Het leek erop dat er een nieuwe golf van Nederlandse filmmakers aan kwam die hun passie voor film niet lieten frustreren door de restricties van filmfondsen en omroepdramaturgen.

 

Pim de la Parra betrok aanstormende filmmakers bij ‘minimal movies’, distributeur en producent Riek Hadders (Filmmuseum) bracht het werk van regisseurs waaronder Paul Ruven in de bioscoop. Van de Rietveld Academie kwamen later nog meer kunstzinnige talenten.

 

De daadkracht van deze stroming werkte aanstekelijk en inspireerde een wederopstanding van de Nederlandse film, die in de jaren tachtig op sterven na dood leek. De jaren negentig werden bedolven onder films met jongeren die ronddwaalden in existentiële leegte. Veel van de films hadden helaas wel conventionele dramatische uitgangspunten en zwolgen in melancholie en asfaltromantiek.

 

Documentaires leken voornamelijk meer te gaan over het naderen van het eind van een bepaalde manier van leven. In Het Is Een Schone Dag Geweest (1993) volgt filmjournalist Jos de Putter een jaar lang zijn ouders. Zij werken naar het einde van hun boerenbedrijf, omdat beide zoons geen interesse in overname hebben. In de documentaire Metaal En Melancholie (1993) van Heddy Honigmann zien we een aantal Peruaanse taxichauffeurs die, gedwongen door de economische malaise, naast hun baan wat bijklussen als taxichauffeur. Melancholisch verlangen ze allen naar het verleden, waar ze afscheid van hebben moeten nemen.

 

 

Fake documentaire
In het midden van de jaren negentig doet de fake-documentaire zijn intreden. Films die in eerste instantie op een documentaire lijken, maar naarmate ze vorderen wordt men aan het twijfelen gebracht of het gaat om de werkelijkheid of om fictie. Voorbeelden hiervan zijn Kutzooi (1995) en Lap Rouge (1996, eindexamenfilm) beide van Lodewijk Crijns (Jezus Is Een Palestijn (1999), Met Grote Blijdschap (2001) en Loverboy (2003).

 

 

Van film naar televisieserie
Succesfilms als basis gebruiken voor het maken van televisieseries werd steeds gangbaarder. Het succes van een film was nooit een voorbode voor het succes van de serie, maar de bekendheid van de film hielp wel mee. Films als Allstars (1997), Flodder (1986), Costa! (2001) en Shouf Shouf Habibi (2004) werden met succes omgetoverd tot televisieseries.

 

 

Serieuzer werk
Gelukkig werden er ook nog wat kritischere films en documentaires gemaakt. Bijvoorbeeld De Boekverfilming (1998) van Eddy Terstall, de film die alles behalve een boekverfilming moest zijn.

 

Het was een milde kritische reactie op het Nederlandse filmwereldje dat liever slecht verfilmbare maar goedverkopende boeken klaarstoomt voor het witte doek, dan aan de slag gaat met oorspronkelijke scenario´s die in onvervalste filmtaal geschreven zijn.

 

Portret documentaires deden het ook goed. Na Rock-´N-Roll Junkie (1994), de documentaire over Herman Brood, bleef het nog een tijdje rustig op het gebied van portretdocumentaires in filmmakend Nederland. Maar met de komst van André Hazes: Zij Gelooft In Mij (1999) kwam de stroom goed op gang. Elk denkbaar icoon werd getoetst aan de filmbaarheid. Bennie Jolink, frontman van de band Normaal, werd onder de loep genomen in Ik Kom Altied Weer Terug (2001). Ramses Shaffy werd gevolgd in Ramses (2002). In 2002 kwam ook Malle Appie uit waarin Albert Mol het onderwerp was.

 

Telefilms
Op initiatief van de Nederlandse speelfilmproducenten werden de omroepen overgehaald om, door de productie van avondvullende televisiefilms, bij te dragen aan een klimaat waarin potentieel speelfilmtalent zich verder kon ontwikkelen. Na wat moeilijkheden werden de eerste zes telefilms in het voorjaar van 1999 uitgezonden.

 

Door de medefinanciering van de omroepen was het weinig riskant om jong talent een kans te geven, ook enkele ervaren filmmakers grepen hun kans. Beetje bij beetje begonnen meer omroepen zich te wagen aan deze constructie en het budget kon worden opgeschroefd.

 

Films als Bella Bettien (2002), Tussenland (2002), Ochtendzwemmers (2000) en Sloophamer (2003) zagen het daglicht en vele volgden. De meeste films behandelden onderwerpen die niet commercieel genoeg waren voor een bioscoopproductie, maar die wel waardig genoeg waren voor een goede film. De samenwerking tussen televisie en film werd benadrukt door sporadische bioscoopvertoningen van de uitschieters.

 

CV-regeling
In 1999 zocht men een manier om de filmindustrie te stimuleren. Het antwoord kwam in de vorm van een fiscale maatregel. Belastingfaciliteiten moesten particuliere investeerders lokken en de Nederlandse film financiële ruimte geven. Aan de horizon gloorde namelijk een vaderlandse filmindustrie die de concurrentie met het buitenland aankon.

 

Het fiscale filmstimuleringsbeleid dat van start ging zorgde uiteindelijk voor veel verwarring en ergernis. Het idee was dat dankzij een cv-regeling (commanditaire vennootschap) er in vijf jaar een Nederlandse filmindustrie op poten zou worden gezet. Dat de filmbranche daarna zichzelf zou kunnen redden. Er kwamen succesfilms - vooral familiefilms – maar de regeling bleek in de praktijk helaas ook een onvoorzien effect te hebben.

 

Vermogende particulieren moesten worden verleid om in films te gaan investeren. De insteek paste bij het nieuwe politieke klimaat. Particuliere filminvesteerders werden als commanditaire vennoten aangemerkt, zodat hun investeringen fiscaal aftrekbaar waren. Banken wierpen zich op het ´beleggingsproduct´, dat zelfs bij filmflops een aardig rendement garandeerde.

 

De regeling was alleen zo buigbaar dat het niet alleen bonafide producenten, maar ook (buitenlandse) avonturiers aantrok. Een buitenlandse producent kon naar Nederland komen, een BV oprichten, een film maken en dan weer terug gaan naar zijn eigen land met de film zonder ook maar één cent uit te geven in Nederland.

 

Hier schrok de Nederlandse regering toch wel van, waarna ze de regeling op allerlei manieren probeerde aan te passen. Dit resulteerde erin dat producenten gek werden van de onduidelijkheden. Gelukkig had de cv-regeling niet zo´n grote grip gehad op het realiseren van filmprojecten. De meeste films waren alsnog gewoon zonder cv-regeling gerealiseerd. Uiteindelijk was het zo ingewikkeld geworden om cv´s op te richten, dat bijna niemand meer de moeite name.


In 2004 werd de cv-regeling na veel onduidelijkheid definitief ten grave gedragen. Een reactie hierop van de Nederlandse filmwereld was nadrukkelijk gericht op publiek en politiek in Amsterdam met de Middag van de Nederlandse speelfilm. Het publiek kon in Pathé City de grote publiekstrekkers van de afgelopen twee jaar voor een euro per stuk bewonderen. Ook presenteerden de film- en televisiewereld, ten overstaan van enkele Tweede Kamerleden en de staatssecretaris van Cultuur, eigen initiatieven om de productie en uitbreng van Nederlandse films zelf extra te ondersteunen.

 

Vervlogen tijden
Rond de eeuwwisseling kwamen er opvallend veel Nederlandse films uit waaruit een schreeuwend verlangen klonk naar knusse vervlogen tijden. Naar de tijd waarin kinderen nog ontzag hadden voor hun ouders en de straten nog werden schoongeschrobd. Films als Ja Zuster, Nee Zuster (2002), Minoes (2001), De Schippers Van De Kameleon (2007), Kruimeltje (1999), Pietje Bell (2002) en Pipo En De Parelridder (2003) namen ons weer mee naar de tijden dat alles nog overzichtelijk en eenvoudig was.

 

Het was tijd voor een ode aan de vervlogen tijden. Dit was niet alleen de mening van de filmmakers, het publiek ging er massaal in mee. In een tijd waarin de technologie zich razend snel ontwikkelde, waarin de breuk met de vertrouwde twintigste eeuw een feit was en alles onoverzichtelijker werd was er een grote behoefte om terug te gaan naar de wereld van vroeger die nu simpel en veilig leek.

 

Ondanks deze hang naar vroeger kwamen er ook tegelijkertijd een reeks arthousefilms uit waaruit juist het ruige provincialisme naar boven kwam. Films als Wilde Mossels (2000), Van God Los (2003), Nynke (2001) en De Poolse Bruid (1998).

 


Nouvelle Violence
De Nouvelle Violence die in de jaren negentig de misdaadfilm nieuw leven inblies kreeg in 2000 ook een beetje grip op de Nederlandse film. De misdaadfilm Lek (2000) is hier een goed voorbeeld van. De film bevat wel wat minder buitensporig geweld dan de buitenlandse producties, maar het heeft wel de vaart en spanning. Een ander voorbeeld is Van God Los (2003); een film geïnspireerd op de gewelddadige acties van de Bende van Venlo. De film laat het verhaal zien van een fatale vriendschap die kracht wordt bijgezet door de rooms-katholieke, provinciale omgeving waarin deze zich afspeelt.


Veranderende tijdsgeest
2001 werd het jaar waarin soapacteurs en -actrices speelfilmacteurs werden. Hoewel het niet helemaal ongebruikelijk was om televisiebekendheden te gebruiken in films en om grote voorpubliciteit te creëren, was het bij de film Costa! misschien wel voor het eerst dat deze factoren bij elkaar kwamen. In elk geval wel voor het eerst met groot succes.

 

De no-nonsens-mentaliteit van veel Filmacademie- en Filmwetenschapstudenten in de jaren negentig, voor wie Joop van den Ende de held was en niet Jean-Luc Godard, deed zich nu ook gelden. Zelfs de subsidie kant zette vaart achter het zoeken naar commerciële projecten. In 2002 was het Nederlands Fonds voor de Film zelfs trotse medesubsidiënt van Costa!-opvolger Volle Maan.

 

De veranderde tijdsgeest lijkt bijgedragen te hebben aan een iets bestendiger Nederlands filmklimaat. Van de twintig best bezochte films sinds 1996 dateren er zeventien van na Costa!. Alles is relatief natuurlijk, maar het is wel opvallend.

 

Het succes van de film zorgde voor een minder verkrampte houding ten opzichte van succes, glamour en genrefilms. Met films als Costa! werd er een nieuw publiek, dat niet het vooroordeel had dat Nederlandse films 'toch niks zijn', aangeboord. Een publiek dat zich simpelweg liet leiden door het vooruitzicht op onbekommerd bioscoopplezier met de bekende gezichten van de televisie.

 

Nieuwe generatie
Rond de twintigste eeuw waren meer en meer filmmakers van de MTV-generatie. Dat was goed te merken aan de manier waarop hun films gemaakt werden. Ze hanteerden een veel ´lossere´ beeldtaal en benaderden hun onderwerpen vrijer dan hun voorgangers. Het trage, logge van de Nederlandse film leek verdwenen en te hebben plaatsgemaakt voor frisse en energiekere benaderingen. Films mochten eindelijk wat lichter en luchtiger zijn, zoals te zien is in Loenatik, Ja Zuster, Nee Zuster en Volle Maan.

 

 

Multi-Culti
Het jaar van de multiculturele komedie en tragedie was wel 2004. De eerste helft van dat jaar stond in het teken van het onverwachte succes van Nederlands eerste multiculturele komedie Shouf Shouf Habibi!, de tweede helft was voor Ayaan Hirsi Ali's filmische aanklacht tegen mishandeling van islamitische vrouwen genaamd Submission, Part One.

 

Het succes van Shouf Shouf Habibi! was zeer onverwacht, hierdoor had de Nederlandse filmwereld wel opeens een nieuwe doelgroep ontdekt, jonge allochtonen. Bioscoopketen Pathé zette voortaan Turkse en Marrokaanse films op het programma. Er kwamen steeds meer zogenaamde mocromovies uit waaronder Het Schnitzelparadijs (2005) en Bolletjes Blues (2006). Ook de filmacademie begon een wervingsactie om allochtone filmmakers in spé te trekken.

 

Filmland in shock

Theo van Gogh, de regisseur van Submission, Part One werd op 2 november 2004 op brute wijze vermoord naar aanleiding van de film. Het gevolg van de moord op Theo van Gogh was dat er de vraag rees 'Hoever kan je nog als maker gaan bij het bekritiseren van andere meningen en geloofsovertuigingen?'. Het resulteerde er zelfs in dat een vervolg op Shouf Shouf Habibi! direct in de ijskast werd gezet, omdat de mening was dat het onder de omstandigheden niet kon worden uitgebracht. De film Submission, Part One werd voorlopig niet meer vertoond, om de medewerkers niet aan onnodig gevaar bloot te stellen.

 

Als reactie op de dood van van Gogh kwam de film Allerzielen uit. Een reactie van collega producenten, regisseurs en scenaristen op zijn dood, vormgegeven in een compilatie van 16 korte films.

 

Steun vanuit een andere hoek
In 2004 verschenen veel multiculturele en artistieke films die hun weg naar de bioscoop vonden buiten de gebruikelijke kanalen om, wat zeer opvallend was.

 


Fighting Fish, de eerste Nederlandse kungfufilm, werd voor 400.000 euro buiten het Filmfonds om gemaakt. Dit was mogelijk dankzij de steun van distributeur UIP/Universal en het Rotterdams Filmfonds, en vooral dankzij particulieren.

 


De Surinaamse romantische komedie Madame Jeanette kwam tot stand als televisiefilm voor minder dan 6 ton, zonder Filmfondsgeld of distributeur.

 

De low budget opdrachtfilm Cool! van Theo van Gogh werd gefinancierd door het Glen Mills Instituut en de film Beat werd gemaakt met een budget van 500 euro door een derdejaars filmacademiestudent.

 

Kleine successen
2004-2005 was voor de Nederlandse film geen geweldig jaar in de bioscopen. Een aantal films, waar hoog op was ingezet wat de publiekscijfers betreft, maakten de verwachtingen niet waar. Films zoals Erik Of Het Klein Insectenboek (2004), Floris (2004) en Pluk Van De Petteflet (2004), die elkaar in de belangrijke decembermaand beconcurreerden.

 


Het werd ook duidelik dat de succesformule van films als Costa! was uitgewerkt, zoals Snowfever en Amazones aantoonden. Gelukkig waren er wel nog wat bescheiden successen voor Nederlandse films op buitenlandse filmfestivals. Films waaronder Paradise Now, Cool! , In Oranje, Guernsey, Verborgen Gebreken en de documentaires De Stand Van De Maan, Based On A True Story en Blue Bird deden het goed in het buitenland.

 

Ondertussen ging het wel goed met de meer kunstzinnige films. De gezamenlijke filmhuizen hadden meer dan twee miljoen bezoekers per jaar en ook Pathé had besloten om meer aandacht aan de artistieke films te besteden.

 

Opmerkelijk was ook de snelheid waarmee film en video oprukten op het terrein van de beeldende kunsten. Zo werd de Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië in de zomer van 2005 verzorgd door videokunstenaars en werd de belangrijkste prijs voor jonge kunstenaars, de Prix de Rome, gewonnen door een videokunstenares.


Een andere onverwachte prijswinnaar was de film Ellis In Glamourland (2004) die een Gouden Kalf voor beste scenario ontving en diverse jury en publieksprijzen ontving op internationale filmfestivals.


Nieuwe lichting
Op het doek verschijnen steeds meer nieuwe gezichten. Niet meer de types met de geijkte toneelmaniertjes uit de rijkere gezinnen, maar een nieuwe generatie bestaande uit de meer gewone mensen. Jong en heel enthousiast, die graag wilden werken, óók voor weinig geld.

 

Vele acteurs en actrices die in films van Eddie Terstal hadden gespeeld kregen steeds bekendheid. Een goed voorbeeld van de nieuwe acteursgeneratie is te zien in Boy Meets Girl Stories (2005). Met de komst van de nieuwe generatie acteurs ontstond er ook een nieuw Nederlands acteren. Het acteren werd eindelijk serieuzer genomen, het werd eindelijk meer en meer als een vak gezien.

 


Ondertussen zette de multiculti-komedietrend door met Het Schnitzelparadijs die meteen ook de Nederlandse filmhit van 2005 werd. De jeugd had ook niets te klagen met films zoals De Griezelbus, Kameleon 2, Knetter, Lepel, Het Paard van Sinterklaas en ZOOP In Afrika.

 

Actie
De tijd was rijp om weer een poging te ondernemen een echte Nederlandse actiefilm te produceren. Sinds Amsterdamned (1988) en de Flodder-trilogie waren er geen meer uitgekomen. Vet Hard het speelfilmdebuut van Tim Oliehoek was het antwoord. Helaas werd de film niet bijzonder goed bezocht, toch stond Vet Hard op nummer 7 in de lijst van 10 best bezochte Nederlandse films van 2005.


Succes
Het najaar van 2006 stond in het teken van de comeback van Paul Verhoeven, die voor het eerst sinds 1983 weer een film in Nederland maakte. Het veelbesproken Zwartboek ging op 1 september in première in de competitie van het filmfestival van Venetië, elf dagen later gevolgd door een Koninklijke première in Den Haag. De film was toen al verkozen tot de Nederlandse inzending voor de Oscars en werd kort daarop de grote winnaar op het Nederlandse Film Festival met drie Gouden Kalveren voor Beste Film, Beste Regie en Beste Actrice.

 

 

Ook films als Langer Licht en Nachtrit werden goed ontvangen en er was ook een heuse terugkeer van de Nederhorror met films als DoodEind en Sl8n8.

 

Dvd versus bioscoop
Opvallend was dat films eerder op dvd werden uitgebracht dan in de bioscoop. Gelukkig dankzij Zwartboek, dat in januari 2007 door één miljoen-bezoekersgrens brak, bleef de daling van het binnenlandse marktaandeel beperkt. Maar drie Nederlandse jeugdfilms bleken in staat (ruim) door de honderduizend-bezoekersgrens te breken: Zoop In India, Afblijven en Kruistocht In Spijkerbroek. Drie documentaires die het opvallend goed deden waren Buddha´s Lost Childeren, Forever en 4 Elements.

 

Meer waardering in het buitenland
Opvallend zijn de tekenen die erop wijzen dat de kwaliteiten van de Nederlandse cinema buiten onze grenzen soms beter herkend en gewaardeerd werden dan in eigen kring. Films die bij ons niet echt goed bezocht werden kregen op buitenlandse film festivals o.a. publieksprijzen. Voorbeelden van films die elders in de prijzen vielen zijn TBS, Kruistocht In Spijkerbroek, Tussenstand en Panman.

 

Top jaar
2007 was een topjaar voor de Nederlandse film. Met het hoogtste bezoekersaandeel van het hoogste van het afgelopen decennium. In totaal trokken de bioscopen ruim 22 miljoen bezoekers.

 

De film Alles is Liefde alleen al trok meer dan 1,2 miljoen bezoekers. Ook trokken Waar is het Paard van Sinterklaas?, Zoop in Zuid-Amerika, Ernst, Bobbie en de Geslepen Onix, Timboektoe, Moordwijven en De Scheepsjongens van Bontekoe elk meer dan 100.000 bezoekers. Het leek erop dat de Nederlandse speelfilmindustrie eindelijk weer stabiel begon te worden.

 

 

Van analoog naar digitaal
Het digitale tijdperk leek eindelijk voet aan de grond te krijgen in de Nederlandse filmwereld. Dit was vooral te merken aan het aantal films dat afkomstig was van wat wel de doe-het-zelf of Gamma-generatie is genoemd. Een bond gezelschap van nieuwe (semi)professionele of amateurmakers met speelfilmlange ambities, beperkte ervaring, niet noodzakelijk een aan film gerelateerde opleiding, gebrek aan Filmfondssteun en /of een distributeur, maar - het belangrijkst -  praktisch allemaal geholpen door digitale video als goedkope beelddrager.

 

Ook zijn er ook steeds meer Nederlandse films online te bekijken, te koop en te downloaden. De eerste grotendeels mobiele telefoon gedraaide speelfilm en de eerste (korte) virtuele documentaire komen uit.

 

De digitalisering van de Nederlandse bioscopen en filmtheaters volgens de zogenaamde 2k-norm vorderde langzaam. Een belangrijke noviteit in de grotere commerciële bioscopen was introductie van de digitale 3D-vertoning.

 


De Nederlandse film weer on top
Het succes van Nederlandse films bleef ook in 2008 voort zetten. De Nederlandse films bleven de vaderlandse bioscopen domineren en zorgden voor een marktaandeel van zeventig procent, en brachten bijna zestig procent binnen van de totale kassaopbrengst. Dit succes was voornamelijk te danken aan de films Anubis En Het Pad Der 7 Zonden, Bride Flight, Radeloos, en Sinterklaas En Het Geheim Van Het Grote Boek.


De opmars van de Nederlandse film vond plaats over een redelijk breed front. Alleen de kunstzinnige film had het nog steeds wel moeilijk. De bezoekersaantallen van de meeste artistieke films waren, ondanks positieve recensies, zeer teleurstellend. El Olvido en Kan Door Huid Heen deden het wel goed met ruim tien duizend bezoekers.

 

Internationaal ging het met de artistieke film veel beter. Gerenommeerde buitenlandse festivals lieten hun oog vallen op Nederlandse speelfilms, documentaires en korte films.

 

Veel Nederlands succes in de bioscoop

Ook in 2009 deed de Nederlandse film het bijzonder goed in de bioscopen. Met toppers als Komt een vrouw bij de dokter, De Storm, Oorlogswinter en Terug naar de kust vierde de Nederlandse film weer hoogtij. Ook was er voor de jeugd volop keus aan Nederlandse films. Met onder andere SpangaS op survival, Anubis en de wraak van Arghus, Kikkerdril en Sinterklaas en de verdwenen pakjesboot was er genoeg reden om een bezoekje aan de bioscoop te brengen.

 

 

De filmjournalistiek

Op het terrein van filmjournalistiek ging het heel slecht. Het glossy filmmagazine FilmValley ging failliet, en ook voor Cut! viel na een jaar alweer het doek. Ook kwam er na zestien jaar een einde aan Filmspot, het door Jac Goderie gepresenteerde filmprogramma dat wekelijks te zien was op een groot aantal lokale en regionale zenders. Na veertig jaar verscheen begin 2009 het laatste nummer van het filmtijdschrift Skrien; uiteindelijk kon Skrien in 2010 toch een doorstart maken.

 
Zwart/wit- en stille film

 

 

Opkomst van de film

In Amsterdam, op 12 maart 1896, vond de eerste filmvoorstelling in Nederland plaats. In de Kalverstraat op nummer 220 zag men voor het eerst bewegende beelden van onder andere een trein, een lachende baby en een maffe tuinknecht. De beelden werden vertoond door een vertegenwoordiger van de firma Lumière uit Parijs. Deze man maakte een tournee  door Europa om de nieuwste uitvinding, de cinematograaf, onder de aandacht te brengen. Hij had succes, want kort na deze gebeurtenis doken er overal reisbioscopen op die korte filmpjes (voornamelijk uit het buitenland) vertoonden op kermissen, in cafe’s, variété-theaters.

 

 

 

Al snel werd film gebruikt om grote maatschappelijke gebeurtenissen mee vast te leggen, om het daarna al dan niet als propagandamateriaal te kunnen gebruiken. Zo werd de inhuldiging van Koningin Wilhemina vastgelegd in opdracht van F.A Nöggerath sr. (directeur van het Amsterdams theater Variété Flora) onder de titel Inhuldiging Koningin Wilhelmina Te Amsterdam/De Kroningsfeesten (1898). Onverwacht zorgde deze film ervoor dat Wilhelmina in een klap de eerste Nederlandse filmster werd en heel Nederland haar in hun hart sloot.

 

 

 

Op de kermissen werden naast wat buitenlandse films en de populaire Inhuldiging Koningin Wilhelmina Te Amsterdam ook eigen, lokale opnamen vertoond. Zo werd er op de Goudse kermis van 1899 films (reportages) als Het Verlaten Van De Stearinekaarsenfabriek en Het Uitgaan Der Maria Hemelvaart Op Den Kleiweg Na De Hoogmis vertoond. Het succes van deze films lag aan het feit dat men zijn eigen omgeving, zichzelf en bekenden op het witte doek zag. Een trucje dat nog lang gebruikt zou worden om publiek te blijven trekken.

 

 

 

Vernieuwing

De film De Mesaventure Van Een Fransch Heertje Zonder Pantalon Aan Het Strand Te Zandvoort (1905) een komedie van Alberts Frères (Willy Mullens en Albert Mullens) werd via een vernieuwd bioscoopconcept vertoond. Door het gebruik van een pr-beleid werden, voorafgaand aan de vertoning, locale journalisten bestookt met positieve recensies en artikelen van voorgaande voorstellingen. Hiermee probeerde de gebroeders de interesse van de journalisten te kweken. Een toen nog onbekende strategie.

 



In een luxueuze bioscooptent werd een avondvullend programma van filmvoorstellingen met muzikale begeleiding vertoond. Op de avond werden de nieuwste en mooiste buitenlandse producties gecombineerd met de nog steeds zo populaire locale opnamen (die wel steeds meer een fictief karakter kregen). Het programma werd om een aantal dagen vernieuwd om het publiek te blijven trekken. Aparte kindermatinees en een exclusieve galavoorstelling met een grote film maakte de voorstelling compleet.

 

 

Boekverfilmingen

Rond 1907 stagneerde het aantal filmbezoekers. Hoger opgeleid publiek had steeds minder interesse in de korte humoristische films en slapsticks. Dit leidde ertoe dat er ´one real adaptations´ gemaakt werden van werken van Shakespeare en Dante. Zogenaamd Film d’Art, het succes was helaas van korte duur. Boekverfilmingen werden wel steeds populairder en zijn tot op de dag van vandaag een dominant genre.

 

 

Tragiek en ongeluk

In de vroege fictie films overheersten de thema’s ongeluk en tragiek, waarbij een slechte afloop niet geschuwd werd. Waar er later in Amerika gekozen werd voor een goed einde, werd dat in Nederland niet nodig gevonden. De Greep (1909) is hier een goed voorbeeld van. Deze film door Nöggerath jr. en Boedels gebaseerd op het Franse toneelstuk La Griffe. Hiermee was het ook de eerste Nederlandse film die gemaakt werd op basis van een bestaand literair werk.

 

 

Bioscoop

In 1909 liet Albert Mullens zich inschrijven als exploitant van de schouwburgzaal De Kroon in Haarlem. In deze zaal vertoonde hij en zijn broer vijfmaal per week een filmprogramma. Hiermee waren zijn de eerste in Nederland die een bioscoop exploiteerden. Vanaf 1910 ontstonden er in vele grote steden bioscopen en al snel domineerde het bioscoopbedrijf het Nederlandse uitgaansleven. De ontwikkeling van de filmdistributie was de grootste reden voor het succes van de bioscopen. Het was nu mogelijk om met grote regelmaat het filmaanbod te vernieuwen, zonder dat het grote kosten met zich meebracht.

 

 

 

Ontwikkeling

Er was veel vooruitgang op het gebied van film en techniek. Niet alleen qua filmtechniek waren er grote ontwikkelingen. In 1911 gaf Alberts Frères een bioscoopvoorstelling genaamd De Sprekende Film in het Amsterdams Paleis voor Volksvlijt. Na een welkomstwoord door een van de broers op het podium verscheen de ander op het doek en prak het publiek toe. De gefilmde broer vertelde dat ze in Parijs bij de firma Gaumont gelijktijdig met ‘kinematograaf en grammophoon’ hadden opgenomen. Het was niet de eerste keer dat ze een film met bijbehorend geluid op plaat hadden gemaakt en vertoond, maar het was kwalitatief wel de beste tot dan toe.

 


Het duurde tot het eind van de jaren twintig voor dat de geluidsfilm haar intrede deed, dat betekende overigens niet dat films voor die tijd zonder geluid werden vertoond. Films werden begeleid door musici of live van commentaar voorzien. Ook waren er voorstellingen waarbij er achter de schermen professionele zangers en zangeressen meezongen met de film. Theaters zoals Carré in Amsterdam beschikten over eigen orkesten die naast optredende artiesten ook films begeleiden. Bioscopen namen dit idee over, zoals het Rembranttheater en Tuschinski. Deze bioscopen beschikken zelfs over een voor het publiek onzichtbare orkestbak.

 

Naast de combinatie van film en grammofoon werd er ook geëxperimenteerd met andere technieken. In 1906 had Emil Lauste een systeem waarbij geluidstrillingen konden worden vastgelegd op de filmstrook. Deze kon worden afgelezen met behulp van een lichtsensor. Dit systeem leidde rond 1930 tot een revolutie binnen de filmwereld.

 

 

Producenten,  distributeurs en filmvertoners

Door de opkomst van de bioscoop in 1910 veranderde er veel binnen de Nederlandse filmwereld. Waar in het begin de vertoners de filmwereld domineerden en gewend waren om zelf korte fictie films voor eigen voorstelling te maken, ontstond er nu een driedeling die allen hun eigen expertise hadden. De producenten, de distributeurs en de filmvertoners. Deze verdeling zorgde ervoor dat het makkelijker werd om voor een redelijke prijs aan goede, kwalitatief hoogwaardige films te komen. De verdeling is vandaag de dag nog steeds aan de orde.


Een poging om een eigen filmindustrie op te richten faalden, omdat men niet op kon tegen de buitenlandse concurrentie. Het gevolg hiervan was dat de Nederlandse speelfilmproductie in de jaren ’12 en ’13 bijna volledig tot stilstand kwam. In die tijd begon men zich wel te realiseren dat er een markt was voor andere soort producties. Journaals, documentaires en bedrijfs- en educatieve films van eigen bodem. Deze werden niet door het buitenland geproduceerd en waren een welkome aanvulling op het buitenlandse aanbod.

 

 

Filmkeuring

Rond 1912 ontstond er een discussie over het feit dat de bioscoop verderfelijk zou zijn voor kinderen. Het werd een heftig debat met aan de ene kant bezorgde filmcritici en aan de andere kant de bioscoopexploitanten. De discussie ontstond door het feit dat er tot ’s avonds laat kinderen in de bioscoopzalen zaten. Kinderen spijbelden om filmvertoningen te kunnen zien en werden geconfronteerd met zaken die een gevaar vormden voor hun 'tere zieltjes'.

 


Het was niet zo dat de filmcritici tegenstanders van de film waren, maar ze zagen de toekomst van de film meer als middel tot educatie. In 1912 werden er dan ook door een Rotterdamse commissie plannen gemaakt om een Gemeentelijke Schoolbioscoop te realiseren. Deze kwam er in 1918.

 

 

Een ander gevolg van deze discussie was dat andere stadsbesturen besloten om een bioscoopcommissie op te richten, die verantwoordelijk was voor lokale filmkeuring. In 1928 werden deze commissies vervangen door een landelijke Centrale Commissie voor de Filmkeuring.

 

 

Educatieve film

In 1913 maakten zowel de Gemeente Rotterdam als een aantal grote industriële instellingen geld vrij om de Maatschappij voor Wetenschappelijke Cinematografie (later Filmfabriek Hollandia) in staat te stellen de film Onze Scheepvaart (1913) te realiseren.

 

 

De film had twee doelen: de gemeente Rotterdam had hierdoor een film dat een beeld gaf van de Rotterdamse haven en de film kon gebruikt worden voor educatieve vertoning in de Schoolbioscoop. Na deze film werden er steeds meer educatieve/wetenschappelijke films geproduceerd door gespecialiseerde productiemaatschappijen.

 

 

Eerste Wereldoorlog

Ondertussen breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Ondanks dat is het voor de filmindustrie een periode van bloei en voorspoed en bracht in die tijd haar eerste echte filmster voort: Annie Bos (o.a. Majoor Frans (1916) en Het Geheim Van Delft (1917). Van september 1914 tot begin 1919 worden bijna veertig lange speelfilms geproduceerd. Het grootste aandeel kwam van de Filmfabriek Hollandia, maar ook de Rembrandt Film Co en Film Cie produceerde een aantal speelfilms.

 


Het Wrak In De Noordzee (1915) is van alle wel de meest opvallende. De film gemaakt door Amsterdam Film Cie is waarschijnlijk wel het meesterwerk uit periode van de stille film. Helaas waren er ook mindere kanten. Tijdens de oorlog was er praktisch geen mogelijkheid om films aan het buitenland te verkopen en ook de populariteit van de Nederlandse films in eigen land was relatief.

 

 

Volksverhalen

Filmfabriek Hollandia maakte vele films tijdens de jaren van de Eerste Wereldoorlog. Naast Majoor Frans (1916) en Het Geheim Van Delft (1917) maakte het ook de eerste verfilming van het toneelstuk van Herman Heijermans Op Hoop Van Zegen. Met een cast vol grote theater- en filmacteurs van die tijd werd de film net zo’n succes als de toneelversie. Op Hoop Van Zegen werd later ook door van Bauer in 1924 verfilmd voor de Duitse markt, in 1934 als sprekende film uitgebracht door Alex Benno en in 1986 verfilmd door Guido Peters.

 

 

Nog steeds blijken verhalen in volkse setting een belangrijke inspiratiebron te zijn voor de Nederlandse filmproducenten. Vele films die in de tijd van de stille film waren uitgebracht, werden in de tijd van de sprekende film opnieuw verfilmd. Deze films waren meestal net zo succesvol, dan wel succesvoller dan hun stille broertje.

 

 

Actualiteiten en bedrijfsfilms

Journaals en documentaires waren regelmatig onderdeel van filmvoorstellingen. Willy Mullens (Alberts Frères) richt in het jaar 1918 de productiemaatschappij Haghe Film op. Mede dankzij zijn goede contacten met de overheid en industriële bedrijven wist hij talloze opdrachten binnen te halen voor overheid- en bedrijfsfilms. Zo maakte hij in het voorjaar van 1919 opnamen van het bezoek van de Koningin aan Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. De film draagt de naam Glorieus Bezoek Aan Zeeuws-Vlaanderen Van H.M De Koningin. Deze propagandistische film diende de onderlinge verbondenheid tussen de koningin en haar volk te tonen. Later maakte hij ook nog Nederland (1921) waarvan hij het geschoten materiaal graag recyclede voor andere documentaires over Nederland voor binnen- en buitenland.

 


Ook Filmfabriek Hollandia kreeg opdrachten om films voor de overheid te maken, zoals Kijkjes In Het Bedrijf Der Mijnen In Limburg (1919) in opdracht van de Nederlandsche Schoolfilm Commissie. In 1919 verlaat Jules Stoop (regisseur van Kijkjes In Het Bedrijf Der Mijnen In Limburg) Hollandia en begint zijn eigen filmmaatschappij de Filmfabriek Polygoon.

 

 

 

Polygoon maakte in eerste instantie vooral titelkaarten met tussentitels voor stille films, maar begon al snel met het maken van korte documentaires en films in opdracht. Hoewel in 1919 het idee er al is om een tweewekelijkse actualiteitenfilm te maken, gebeurt dat pas in 1921. Dat werden de bekende Polygoonjournaals die in de bioscopen te zien waren. Helemaal na de invoering van de geluidsfilms kreeg het Hollands Nieuws een absolute prioriteit.

 

 

Micro-opnamen en Avant-Garde

In 1924 richtte fotoamateur J.C. Mol het Bureau voor Wetenschappelijke Cinematografie op. De Duitse firma Ernemann had net in 1923 een camera ontworpen die vijfhonderd beelden per seconde kon opnemen, hiermee was het voor Mol mogelijk om micro-opnamen te maken. Hij maakte een film genaamd Anthony Van Leeuwenhoek (1924) over het levenswerk van de wetenschapper. Hij demonstreerde in de film onder andere de groei van kristallen van aluin, salpeter en salmiak. Om zoiets kleins, zo groot in beeld te zien, was zeer bijzonder. De film was dan ook een groot succes.

 

 

In 1927 maakte Mol de film Uit Het Rijk Der Kristallen waarin abstracte patronen van de zich steeds uitbreidende kristallen te zien waren. Dit fenomeen was niet alleen iets wat wetenschappelijk geïnteresseerden aansprak, maar ook de Avant-Garde. Zij roemde de film als een voorbeeld van de absolute film: film die uitdrukking geeft aan beweging, ritme en montage en ontdaan is van dramatische, menselijke handeling.

 

 

Film werd sinds de jaren twintig ook steeds meer gezien als vorm van autonome kunstvorm door filmmakers en kunstenaars. Zij hielden zich niet bezig met de narratieve cinema, maar met de meer artistieke mogelijkheden.

 


In 1927 werd in Amsterdam in besloten kring een Russische film vertoond waarvan openbare vertoning door de plaatselijke autoriteiten verboden was. De film werd beschouwd als Sovjetpropaganda. Geïnspireerd door dit gegeven kwamen een aantal Amsterdamse filmmakers, kunstenaars en intellectuelen op het idee om een filmliga op te richten, waar men in besloten kring films van de Franse, Duitse en Russische avant-garde kon vertonen.

 


Kort hierna volgden ook andere Nederlandse steden. Bij de Filmliga ging het om de film en om het geloof in de zuivere, autonome film, de film als kunst en toekomst. De liga verzette zich tegen het commerciële regime van de (Amerikaanse) bioscoopfilms. Een goed voorbeeld van een Filmliga film is Regen (1929) van Joris Ivens, en Is Er Overeenkomst Tusschen Klank, Rhythme en Kleurafwisseling? (1932) van Willem Bon.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

***(Let op!: deze tekst is een korte samenvatting en absoluut niet compleet. Wij verschaffen de inhoud van de webpagina in de staat waarin deze zich feitelijk bevindt, zonder garantie of waarborg ten aanzien van de deugdelijkheid, geschiktheid voor een bepaald doel of anderszins. De inhoud is experimenteel en voor particulier gebruik bedoeld. Wij zijn niet aansprakelijk voor schade die is of dreigt te worden toegebracht en voortvloeit uit of in enig opzicht verband houdt met het gebruik van de webpagina of met de onmogelijkheid de webpagina te kunnen raadplegen.)

 
Kleuren- en geluidsfilm

 

Geluidsfilm
In 1932 begon toch de geluidsfilm de norm te worden. Als reactie hierop liet Centraal Bureau voor Ligafilms drie korte avant-garde films voorzien van een muzikale soundtrack, waardoor ze meer kans maakten om vertoond te worden. De Steeg (1932) is een van deze films waarbij alledaagse onderwerpen verbeeld door korte shots pas in de montage hun betekenis kregen. Langzamerhand werd er ook steeds meer geëxperimenteerd met kleur en geluid.

 

 

 

Bedrijfsfilm
Rond 1933 werd het laten maken van een bedrijfsfilm weer populair. De aanleiding hiervan was het succes van De Macht Van Het Kleine (1933) die in opdracht van de Vereeninging Nederlandsch Fabrikaat (VNF) werd gemaakt. De film die het onderwerp ´Koop toch uit den vreemde niet wat het eigen land U biedt´ behandelde, werd op vele filmavonden die het VNF organiseerde voor zijn leden getoond.

 

Andere fabrikanten vonden dit een interessant idee en begonnen ook opdrachten te geven aan filmmakers. Tijdens de bezetting zwakte dit wat af, maar na 1945 bloeide de bedrijfsfilm weer op. Dit kwam mede doordat opdrachtgevers nu ook zelf met een 16mm filmprojector vertoningen konden organiseren.

 

 

Speelfilm met geluid
Het is 1934 wanneer de eerste Nederlandse speelfilm met geluid verschijnt. Het is nog bijna een strijd tussen De Jantjes en Willem Van Oranje. Ondanks dat De Jantjes eerder klaar was, was het toch Willem Van Oranje die officieel met de eer mocht gaan strijken. De Jantjes werd bewust iets later uitgebracht ten gunste van de meer prestigieuze concurrent. Onofficieel was eigenlijk Terra Nova (1932) van Gerard Rutten de eerste film met synchroon lopend geluid, maar helaas is de film nooit in de bioscoop vertoond.

 

 

Het invoeren van geluidsfilms bracht naast geweldige mogelijkheden ook beperkingen met zich mee. Waar het bij de stille films makkelijk was om ze internationaal aantrekkelijk te maken, was het voor de geluidsfilms veel ingewikkelder. Door de Nederlandse taal kon de film eigenlijk alleen nog in eigen land een succes worden, hierdoor bracht het een groter financieel risico met zich mee. Dit was uiteraard ook op de buitenlandse films van toepassing.

 

 

Dubben en ondertitelen werden pas jaren later ingevoerd. Men moest een andere manier vinden om het buitenland aan te spreken. Een oplossing hiervoor werd gevonden in simultaanproducties. In dit proces werden er tegelijkertijd een Nederlandse en een anderstalige versie gefilmd. Zoals bijvoorbeeld Drie Wenschen (1937) die ook tegelijk in het Italiaans gefilmd werd (I Tre Desideri).

 

Animatiefilms
Tot midden jaren veertig waren korte animatiefilms een vast onderdeel van de bioscoopprogrammering. Korte amusementsfilm en geanimeerde reclames waren er te zien. Een voorbeeld van een Nederlandse geanimeerde reclamefilm is De Lotgevallen Van Ko, De Lachende Koe (1935) voor Friesche Vlag. George Debels maakte vijf afzonderlijke delen die ook als een geheel vertoond konden worden. De film werd geproduceerd door IWA Films die later een speciale afdeling opende waar animatiefilms werden vervaardigd.

 

Ontwikkelingen
Eind jaren dertig kwamen er steeds meer verschillende technieken waarmee nieuw soorten films gecreëerd werden. De Groote Philips Revue 1938 (1937) van de Hongaarse filmmaker George Pàl is daar zo´n voorbeeld van. Pàl had een techniek ontwikkeld waarmee hij houten poppen op een vloeiende, tekenfilmachtige manier kon laten bewegen. De bewegingen werden zorgvuldig afgestemd op de muziek. Dit systeem kreeg de naam ´Puppetoon´.

 

 

Groei
De Nederlandse film groeide door en begon volwassen en professioneler te worden. Steeds meer films werden door de recensenten beschouwd als films die konden meten met de grote buitenlandse producties. Een daarvan was Vadertje Langbeen (1938) naar de roman en het toneelstuk Daddy-Long-Legs van Jean Webster. Deze film zorgde ervoor dat de filmmaatschappij Neerlandia, waarvan dit de eerste productie was, direct op de kaart stond. Nog belangrijker was dat het vertrouwen in de Nederlandse film, die aardig was weggeëbd, weer helemaal terug was.

 

Tweede Wereldoorlog
De meest films die tussen 1933 en 1945 geproduceerd zijn kwamen tot stand onder Duitse regie. Zo ook de film Boefje (1939), deze werd geregisseerd door de Duitser Detlef Sierck. De film gebaseerd op een waar gebeurt verhaal en de gelijknamige roman van M.J. Brusse kon alleen helaas niet op een slechter moment uitkomen. De mobilisatie was afgekondigd en Frankrijk en Engeland hadden de oorlog aan Hitler verklaard. De Nederlandse filmproductie kwam hierdoor op een laag pitje te staan.

 

 

Ondanks de mobilisatie werden er nog wel wat films geproduceerd. Uiteraard vele met het relevante oorlogsthema. Een van de films was Ergens In Nederland (1940) dat zich afspeelde tegen de achtergrond van de mobilisatie. De film ging een maand voor de Duitse invasie in première. Pers en publiek waren zeer enthousiast, maar helaas werd de film samen met De Big Van Het Regiment (1935) en Het Meisje Met Den Blauwenhoed (1934) officieel door de Duitsers verboden. Gelukkig kwam de film, mede door het enthousiasme waarmee het aanvankelijk ontvangen was, na de oorlog opnieuw uit.

 

 

Duitse invloed

Film werd door de Duitsers vooral gezien als propagandamiddel. Al snel na de capitulatie begonnen de Duitsers in ons land de filmbranche te reorganiseren. Ze zette samen met de Nederlandse Bioscoopbond (NBB) een expeditiedienst op en brachten met Wehrmacht-auto´s films naar gebieden waar geen treinen meer reden. Verplichte films werden met het Tobis-journaal meegeleverd. De Duitsers gingen zelfs zo ver dat Joodse bestuursleden van de NBB moesten aftreden en joodse bioscoopbezoekers uit de bioscopen werden geweerd. Filmstudio´s Cinetone en Filmstad werden onteigend waardoor de filmproductie volledig in Duitse handen overging.

 

Na de inval van de Duitsers lagen de Cinetone Studios er verlaten bij. Om te voorkomen dat ze door de Duitsers zouden worden opgeëist, wilde cameraman Theo Güsten er Nederlandse films gaan produceren. Voor een speelfilm over Rembrandt werden de eerste opnamen in het geheim gemaakt. Toen de Duitsers achter de plannen kwamen en de eerste beelden zagen waren ze erg onder de indruk. Het ontbrak de film echter volgens hen aan het ‘juiste’ historische perspectief. Theo Güsten en Gerard Rutten die aan het project werkten, weigerde mee te werken aan de nieuwe invulling. Ondanks dat werd er in de oorlog een film over het leven van Rembrandt gemaakt. Ditmaal door een Duitse regisseur met Duitse en Nederlandse acteurs in de Cinetone Studio´s en in Wassenaar.

 

 

Toch werden er ook door Nederlanders films gemaakt die overduidelijk wel een nazi-signatuur hadden. Zo was een van de eerste Nederlandse kleurentekenfilms Van Den Vos Reynaerde (1942) overduidelijk antisemitisch. Deze film gemaakt door Egbert van Putten (Nederland Film) was wel een van de meest ambitieuze van die tijd, kosten nog moeite werden gespaard. De film is echter nooit op het witte doek verschenen, vermoedelijk omdat de Duitsers meer gecharmeerd waren van de films uit de Disney studio´s.

 

 

Buiten de bezetter om

Tijdens de oorlog werden er ook nog wel wat films gemaakt zonder bemoeienis van de Duitsers. Deze werden vaak buiten de officiële paden opgenomen. Zo´n film is Moord In Het Modehuis (1943) gemaakt door Alfred Mazure, die ook clandestiene opnamen maakten voor de Engelsen. De film is tijdens de oorlog, ondanks de vraag van bioscoopeigenaren, nooit in de bioscoop vertoond. Na de oorlog heeft hij twee persvoorstellingen gedraaid en daarna nooit meer. Men was er niet meer in geïnteresseerd. Dit was helaas het lot van vele films die tijdens de oorlog gemaakt zijn.

 

Kinderfilms
Na de oorlog leek filmproducerend Nederland door te krijgen dat er ook nog een ander publiek was dan volwassenen; kinderen. Waar voorheen kinderen voornamelijk cowboy- en indianenfilms, komedies en melodrama´s voorgeschoteld kregen, werd het langzaamaan gangbaar om films speciaal voor kinderen te produceren.

 

Eerder had Dick Laan (bekend van Pinkeltje) al een paar jeugdfilms geproduceerd, waaronder De Droom Van Een Voetballertje (1923), De Club Van De Zwarte Pijl (1932), Twee Kwajongens En Hun Uitvinding (1922) en De Zoon Van Nick Carter En De Moordenaar (1921). Eindelijk kwamen ook andere producenten met jeugdfilms zoals Ridders Zonder Harnas (1947) en later Sjors Van De Rebellenclub (1955); wat spannende (jongens)avonturen waren.

 

3D-film
Rond 1948 werd er geëxperimenteerd met stereoscopische filmbeelden, het 3D-effect. Het zou de vervolmaking van de filmkunst zijn. Er was al kleur en geluid, nu nog de derde dimensie. De Amerikanen en de Russen waren druk bezig met het vervaardigen van de eerste 3D-speelfilms, maar dat wilde echter niet vlotten. Ook de Nederlanders hielden zich ermee bezig. In 1948 waren het de oogarts Reijnders en de ingenieur Weber die eindelijk bijna perfecte testfilms maakten. Met een brilletje met gepolariseerde glazen kon men alles in echte kleuren zien. Helaas door de opkomst van het cinerama-formaat, en de afkeer van de brilletjes bij het publiek, had de stereoscopische film geen toekomst.

 

Film als propagandamiddel
Kort na het begin van de Tweede Wereld Oorlog was het duidelijk voor de Nederlandse regering dat film een heel belangrijk instrument was in de strijd tegen de bezetter. Film was een ultiem medium voor propaganda waarmee ook bondgenoten aangetrokken konden worden. Zo werden er al snel films gemaakt die zich afspeelde in het bezette Nederland; gemaakt met financiële steun van de Nederlandse Overheid.

 

Na de Tweede Wereld Oorlog werd de Rijksvoorlichtingsdienst opgericht, die later de opdrachtgever zou zijn voor voorlichtingsfilms, waaronder La Familia Real Holandesa. Een film die werd gemaakt voor de reizen die prins Bernhard zou gaan maken naar Latijns- en Zuid-Amerika om een positief beeld van Nederland te geven.

 

Vissersdrama
In de eerste vijftig jaar van de Nederlandse film was de visserij een zeer regelmatig terugkomend thema. In documentaires en in films was het een gewilde achtergrond voor verhalen. Voornamelijk naar voren gebracht door filmers uit het buitenland die erg geïnspireerd werden door het ´vissersdrama´ en de setting. Deze zorgden er dan ook voor dat het niet alleen in hun eigen films naar voren kwam, maar ook dat de Nederlandse filmmakers meer met het thema gingen doen. Vroege films als Op Hoop Van Zegen (1918) en Het Wrak Van De Noordzee (1915) hadden dit thema al behandeld. Een film zoals ´T Schot Is Te Boord (1951) nam het thema weer op sleeptouw. De film nam in een overrompelend verslag de arbeidsintensieve haringvisserij onder de loep. Met de documentaire won Herman van der Horst in 1952 in Cannes zelfs de Grand Prix voor beste documentaire.

 

Nieuwe impuls
Midden jaren ´50 waagde men een poging om de naoorlogse speelfilmproductie in Nederland op gang te brengen. Een van de eerste initiatieven was Ciske De Rat (1955). Het werd een coproductie met Duitsland, naast een Nederlandse versie werd er ook een Duitse gemaakt. De film, die vol Amsterdams decor zit, was duidelijk met het oog op het buitenland geproduceerd. De film vertegenwoordigde Nederland dan ook op het Festival van Venetië en won daar de Zilveren Leeuw.

 

 

Productiefonds voor de Nederlandse film

1958 was het jaar waarin Bert Haanstra en Fons Rademakers debuteerden met een speelfilm. Haanstra met zijn film Fanfare en Rademakers met Dorp Aan De Rivier. Beide films waren een van de eerste die mede mogelijk werden gemaakt door het in 1956 opgerichte Productiefonds voor de Nederlandse Film, het huidige Nederlandse Fonds voor de Film. Het initiatief, met als doel het bevorderen van de continuïteit en kwaliteit van de Nederlandse filmindustrie, zorgde ervoor dat de productie van speelfilms in korte tijd enorm steeg.

 

 

Dorp Aan De Rivier werd door de Nederlandse pers matig positief onthaald, maar de buitenlandse pers was lovend. De film werd zelfs geselecteerd voor het filmfestival in Berlijn, won een Golden Globe Award en kreeg een nominatie voor een Oscar voor de Beste niet-Engelstalige film.

 

 

Kleurenfilm
1958 was ook het jaar waarin de kleurenfilm op originele wijze werd geïntroduceerd. Tijden de begincredits van de film Jenny zag men een boot met wedstrijdroeisters in zwart-wit onder een brug door gaan om er vervolgens in kleur weer onder vandaan te komen.

 

 

Met kleur werd al wel in de eerste jaren van de 20ste eeuw geëxperimenteerd. Zwart-witfilms werden met de hand ingekleurd met organische verfstoffen, later ook machinaal. In de jaren dertig kwamen er meer bruikbare systemen, waaronder het Tecnicolor-systeem, weer later pas de moderne kleurenfilm.

 

Kunstfilm
Bert Haanstra werd in 1957 gevraagd om een bedrijfsfilm te maken voor de Verenigde Glasfabrieken Leerdam. Terwijl hij met de film bezig was, kwam hij tot de ontdekking dat de kunst van glasproductie ook een geweldig onderwerp was voor meer. Hij kreeg toestemming om ook een eigen film te maken, die de naam Glas (1959) kreeg. De film werd mede gesubsidieerd door de overheid.

 

 

De film waarin beelden van de verschillende facetten van glasfabricage ritmisch op muziek worden vertoond werd een groot succes bij pers, publiek en filmfestivals. In 1960 werd de film zelfs met een Oscar voor de beste korte documentaire onderscheiden en werd jarenlang gebruikt als materiaal in lessen filmmontage op filmscholen over de hele wereld.

 

De kunstfilm kwam in Nederland pas op in de jaren vijftig, hoewel het buitenland al jaren dergelijke films gemaakt werden. In Nederlandse film werd wel de relatie met de schilderkunst gelegd, maar het duurde lang voordat er documentaires en films over kunst en kunstenaars werden gemaakt.

 

Een van de eerste films was Vincent Van Gogh, die naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag werd gemaakt. Films en documentaires over Rembrandt (Bert Haanstra), Frans Hals (Frans Dupont), Piet Mondriaan (Nico CramA) volgden, maar ook levende kunstenaars kwamen aan bod zoals Karel Appel in De Werkelijkheid Van Karel Appel (1961) door Jan Vrijman.

 

 

 

Jeugdcultuur
Vòòr het midden van de jaren zestig bestond het begrip ´jeugdcultuur´ niet, laat staan dat er speciale tv-programma´s waren voor jongeren. Het gezag van de ouders was nog intact en het zou nog jaren duren voordat het Provo-tijdperk begon. Het was dan ook bijzonder dat Kees Brusse in 1964 de documentaire Mensen Van Morgen uitbracht. Een documentaire bestaande uit gesprekken met dertien verschillende jongeren die openhartig praten over wat hen in die tijd bezig hield. De documentaire zorgde voor een nieuwe kijk op tv- en filmmaken.

 

Onder de indruk
In 1965 kwam Het Korps Mariniers, de film ter gelegenheid van het driehonderjarige jubileum van het Korps, van Paul Verhoeven uit. Na de korte films Een Hagedis Teveel (1960) en Feest (1963) gemaakt te hebben, wist Verhoeven tijdens zijn diensttijd bij de Marine Filmdienst te komen en zijn superieuren ervan te overtuigen dat hij de film moest regisseren. In plaats van een standaard historische documentaire, maakte hij een film vol actie en spektakel. De NOS was zo onder de indruk dat zij in hem de juiste man voor de regie van de nieuwe televisieserie Floris (1969) zagen. Dit was het begin van een indrukwekkende (inter)nationale carrière.