|
Nouvelle Vague De uit Parijs afkomstige Nouvelle Vague-beweging in de jaren zestig inspireerde veel Nederlandse filmmakers. Aankomende filmmakers, waaronder studenten van de Filmacademie, vonden inspiratie in de vernieuwingsdrang van de Nouvelle Vague. Tegendraadse montagestijlen, onorthodox gebruik van geluid, verfrissende suggestieve en poëtische filmstijlen creëerden ongelofelijk veel nieuwe mogelijkheden om een verhaal te vertellen.
Dat jonge regisseurs als Wim Verstappen, Adriaan Ditvoorst, Pim de la Parra en Nicolai van der Heyde door de Nouvelle Vague geïnspireerd werden is goed te zien in hun debuutfilms. Ik Kom Wat Later Naar Madra (1965) van Adriaan Ditvoorst (met als cameraman o.a. Jan de Bont) is hiervan een goed voorbeeld. De film waarin gedachten, dromen en werkelijkheid door elkaar heen geregen zijn, waar het geluid soms asynchroon gemonteerde is of zonder geluid. De film laat duidelijk zien dat Ditvoorst goed gekeken had naar zijn grote voorbeelden uit de Nouvelle Vague. Zijn film wierf hem in één klap zowel internationale als nationale faam.
Het duo Wim Verstappen en Pim de la Parra vestigde met hun eerste lange speelfilm twee records, de langste titel en het laagste productiebudget voor een Nederlandse film ooit. De Minder Gelukkige Terugkeer Van Joszef Katús Naar Het Land Van Rembrandt (1966) kostte 7000 gulden om te maken en was geheel met de camera in de hand gefilmd. De film, duidelijk geïnspireerd door de Nouvelle Vague, staat de film toe dat een van de acteurs in de camera kijkt en klaagt over zijn rol. Ook is het geluid van de draaiende camera af en toe te horen.
Franz Weisz gebruikte ook de manier van de Nouvelle Vague om zijn verhaal te vertellen. In zijn debuutfilm naar het boek van Remco Campert (die tegelijk aan het boek en het script werkte) is de ondogmatische manier van monteren a la Nouvelle Vague goed zichtbaar. Het Gangstermeisje (1966) was een van de eerste films die in première ging, gemaakt door een net afgestudeerde van de Filmacademie.
Filmacademie
Er heerste optimisme in de Nederlandse filmwereld. De eerste golf afgestudeerden van de Filmacademie hadden veel succes. Net afgestudeerde regisseurs kwamen redelijk snel aan de bak. Het Productiefonds was net van start gegaan en van de veertig speelfilms die in de jaren zestig in première gingen, waren er dertien door studenten van de eerste golf geregisseerd.
16mm Rond 1960 kwamen de lichtgewicht 16mm-camera´s op de markt. Door de komst van deze camera´s waren er alleen nog een cameraman en een geluidsman nodig om items te filmen. De camera was via een kabel aan een draagbandrecorder verbonden en zo konden geluid en beeld synchroon worden opgenomen.
De komst van deze camera´s zorgde voor een grote verandering in de filmstijl van documentaires. Opeens was het mogelijk om op de achtergrond te blijven en als het ware de werkelijkheid te betrappen of juist actief tussen de mensen te filmen. Dit is goed te zien in onder andere de documentaire Omdat Mijn Fiets Daar Stond (1966).
Stilleven op film Kunstenaars werden steeds geïnteresseerder in het fenomeen film. Bewegende beelden waarmee ook een stilleven gecreëerd kon worden, dat was erg interessant. Filmpjes als Tulips (1966) uit de reeks Sad Movies van Wim T. Schippers, Willem de Ridder en Wim van der Linden is daar een goed voorbeeld van.
Een vrijwel roerloze camera-instelling die een burgerlijk jaren zestig interieur laat zien. Een dressoir met een vaas tulpen waar op ingezoomd wordt, terwijl de muziek aanzwelt. Dan laat er een blaadje los, de camera zoomt langzaam weer uit naar de beginpositie en de muziek zwakt af.
Naar aanleiding van deze film werd er door beginnend uitgever Thomas Rap een boekje uitgegeven met daarin foto´s uit de film en teksten van Schippers. Dit soort filmpjes waren een bron van inspiratie voor velen.
Functioneel bloot Wim Verstappen en Pim de la Parra produceerden gezamenlijk, met hun productiebedrijf Scorpio, een ongekende stroom van films. Hun gezamenlijke creativiteit zorgde voor films die vaak hun tijd ver vooruit waren.
Bij de film Obsessions (1969) kozen zij bijvoorbeeld voor Engels als voertaal en buitenlandse acteurs. De film werd van muziek voorzien door de huiscomponist van Hitchcock en zelfs Martin Scorsese schreef mee aan het script.
De film werd door de pers niet erg positief ontvangen, maar trok wel veel publiek en werd zelfs aan 64 landen verkocht. Met hun film Blue Movie (1971) hadden ze een kassucces. Ze moesten wel eerst de Filmkeuring overtuigen van het functioneel bloot. De film was zo´n hit dat zelfs Belgen met bussen naar Nederlandse bioscopen kwamen om de film te zien.
Reeks aan boekverfilmingen 1973 was het jaar van Turks Fruit. Paul Verhoeven zorgde samen met Gerard Soeteman en Jan de Bont voor een van de meest succesvolle Nederlandse boekverfilmingen aller tijden. De film wist meer dan 3,33 miljoen bioscoopbezoekers te trekken en zelfs een Oscarnominatie te verkrijgen. De film doorbrak alle taboes op het gebied van bloot, seks en emoties en startte als het ware een revolutie in filmland. De jaren daarna volgden nog vele boekverfilmingen.
Bert Haanstra, wereldberoemd als documentairemaker en minder bekend om zijn filmprestaties, verfilmde het boek Dokter Pulder Zaait Papavers (1975). Ondanks dat het niet het succes van zijn film Fanfare evenaarde was het waarschijnlijk wel zijn beste prestatie op filmgebied.
Paul Verhoeven, Soeteman en de Bont maakten in 1975 weer een grote publiekstrekker. Met Keetje Tippel, gebaseerd op de Franstalige romans Jours De Famine Et De Détresse en Keetje door schrijfster Neel Doff, wisten ze het publiek weer massaal te trekken.
Matthijs van Heijningen herontdekte in 1975 het genre ´episodenfilms´ dat enige tijd in de mode was geweest in de jaren zestig. Hij gebruikte het voor zijn Zwaarmoedige Verhalen Voor Bij De Centrale Verwarming, de verfilming van het gelijknamige boek van Heere Heeresma.
Het boek bestaande uit vier korte verhalen die afzonderlijk werden verfilmd door de toen jonge regisseurs (Nouchka van Brakel, Ernie Damen, Guido Pieters en Bas van Lecq). Van Heijningen wist met deze en andere initiatieven de jonge regisseurs aan zich te binden.
Nadat Nouchka van Brakel met succes een van de episodes van Zwaarmoedige Verhalen Voor Bij De Centrale Verwarming (1975) had geregisseerd durfde Matthijs van Heijningen het aan om met haar een lange speelfilm te maken. De film werd de verfilming van Het Debuut (1977) en ging de geschiedenis is als de eerste Nederlandse speelfilm geregisseerd door een vrouw.
In de reeks boekverfilmingen kwam Multatuli´s Max Havelaar in 1976 aan bod. Het werd een episch filmdrama waar literaire critici veel commentaar op hadden. Regisseur Fons Rademaker lukte het om de persoonlijke tragiek van Havelaar overtuigend weer te geven en cameraman Jan de Bont wist een aantrekkelijk ‘Indonesische sfeer’ te creëren.
Echter was de regering van Indonesië, de regering Soeharto, minder te spreken over het resultaat en het zou dan ook nog elf jaar duren voordat de film in Indonesië werd uitgebracht.

Fons Rademakers kwam in 1986 met een nieuwe boekverfilming. Dit keer was Harry Mulisch De Aanslag (1986) aan de beurt.
In 2001 kwam Jeroen Krabbé met de mega productie The Discovery Of Heaven. Een film met een budget van 30 miljoen gulden was in die tijd de duurste Nederlandse film ooit. Het verhaal gebaseerd op het magnum opus van Harry Mulisch werd flink ingedikt, maar de hoofdzaken bleven hetzelfde. De film werd een internationale uitgebracht.
Boekverfilmingen waren in het verleden en tot op de dag van vandaag nog steeds in trek.
Jeugdfilms
Midden jaren zeventig ontstond er meer interesse in het maken van jeugdfilms. Voornamelijk spannende jeugdfilms met een boodschap zoals Peter En De Vliegende Autobus (1975). De films plaveide de weg voor een nieuwe generatie succesvolle kinderfilmmakers.
In 1978 was het de beurt aan Pinkeltje naar het verhaal van Dick Laan. Het verhaal werd verfilmd met voor die tijd de meest moderne technieken om bijvoorbeeld grote mensen als kleine kabouter in beeld te krijgen.
Pas in de jaren negentig kreeg het genre jeugd/kinderfilms echt een nieuwe impuls. Niet alleen in Nederland was er opeens weer veel waardering voor de nieuwste generatie films voor kinderen, ook in het buitenland was men er enthousiast over. Mijn Vader Woont In Rio (1989), Kunst En Vliegwerk (1989), De Tasjesdief (1995), De Jongen Die Niet Meer Praatte (1995) en Lang Leve De Koningin (1995) zijn allen goede voorbeelden van succesvolle kinderfilms. Sommige wonnen zelfs prijzen op binnen- en buitenlandse filmfestivals.
De kracht was dat de Nederlandse kinderfilm kinderen eindelijk serieus begon te nemen. Het succes van deze films en de toegenomen aandacht van het Nederlands Fonds voor de Film droegen bij aan een klimaat waarin de kinderfilm goed kon gedijen.
Het buitenland trekt In 1977 is Paul Verhoeven alweer een tijdje bezig wanneer hij Soldaat Van Oranje maakt. De film was gebaseerd op het autobiografische boek Het hol van de ratelslang van Erik Hazelhoff Roelfzema. Wederom werkte hij met Rutger Hauer en Jeroen Krabbé, alleen Jan de Bont was er deze keer niet bij. De film werd een groot succes met meer dan anderhalf miljoen bezoekers en kreeg veel aandacht vanuit het buitenland. Het zorgde ervoor dat Verhoeven, Hauer en Krabbé mogelijkheden kregen om in Hollywood aan de slag te gaan.
Filmtijdschriften
De eerste generatie van de Filmacademie had in 1963 het tijdschrift Skoop opgericht als platform voor nieuwe ideeën. Na de studentenrevoltes van de eind jaren zestig werd de Skoop-groep te behoudend gevonden en richtte de nieuwe lichting studenten het tijdschrift Skrien op. Hiernaast begonnen ze met in collectief gemaakte films met sociale en politieke thema’s. Dit werd het Amsterdams Stadsjournaal (1974-1984). De filmpjes waren van verschillende lengte en vorm. Een filmpje genaamd Fietsen, won zelfs een prijs op een Portugees kinderfilmfestival. De films stonden ook enige tijd in het voorprogramma van bioscoop The Movies.
Protest tegen amusementsfilms Eind jaren zeventig investeerde de Nederlandse Bioscoopbond en grote filmdistributeurs voornamelijk in amusementsfilms voor een groot publiek. De artistieke film werd hierdoor in een hoekje gedrukt en er werd nog weinig in geïnvesteerd. Deze situatie zorgde voor een protest vanuit een groep filmstudenten.
Een aantal van hen, Leon de Winter, René Seegers en Jean van de Velde, richtten de Eerste Amsterdamse Filmassociatie (EAFA) op. Zij hoopten hiermee 'relatief goedkope, lange speelfilms, die door een onafhankelijke financiering en een zorgvuldige aandacht voor het scenario en het thema een alternatief vormden voor de doorsnee amusementsfilm' te kunnen maken. Zij bewerkten zelf de Winters boek De (ver)Wording Van De Jongere Dürer (1979), waarmee ze een alternatief boden voor het uitgekauwde concept 'spanning, seks, geweld en een autoachtervolging'.

Een andere tegendraadse filmmaker was Theo van Gogh. Hij kwam in 1981 met zijn debuutfilm Luger. Al vanaf deze film zorgde hij voor rellen in de filmwereld. Zijn behoefte om te provoceren, om geen concessies te doen, zorgde ervoor dat hij een van de meest omstreden filmmakers van Nederland werd. Of het nou gaat om Loos, Vals Licht of De Pijnbank, van Gogh kon zelden weerstand bieden aan de verleiding een valse sneer uit de delen aan zijn vijanden.
Films maken in Nederland Nederland is altijd een land geweest waarin filmmaken eerder als een ambacht gezien wordt dan als een industrie. Het heeft ook nooit een reputatie voor een bepaald genre opgebouwd, mede doordat er geen gestage stroom van een bepaald genre is ontstaan.
De horrorfilm bijvoorbeeld is zelfs een genre dat in Nederland maar in mondjesmaat wordt geproduceerd. Een van de bekendste en grootste successen in dit genre is De Lift (1983), de eerste grote bioscoopfilm van Dick Maas. Een film waarin de menselijke angst voor moderne techniek uitgewerkt wordt door gruwelijke scènes enorm te overdrijven. Verder films uit het genre avonturenfilm, fantasiefilm en animatiefilm zijn zeer schaars. Het enige wat zeer tekenend is voor Nederlandse films is het soort humor.
De school van de Nederlandse humor Ruud van Hemert brengt in 1984 de film Schatjes! uit. De film met als thema de eeuwige strijd tussen ouders en kinderen, was een groot succes. Schatjes! kan worden gezien als een voorbeeld voor de school der Nederlandse humor, die van midden jaren zestig tot eind jaren negentig een beruchte reputatie opbouwde. Samen met films zoals Wat Zien Ik? (1971), Help De Dokter Verzuipt! (1974), Boezemvriend (1982), Flodder (1986) en De Noordelingen (1992) geeft het een goed beeld van komisch Nederland.
Banale dagelijkse handelingen en het gewaagde, schuine vaak obscene karakter van de Nederlandse komedie is verheven tot handelsmerk. Autoriteiten worden bijna altijd neergezet als huichelaars en opgeblazen idioten, die alleen zelf in hun verworven macht geloven. De Nederlandse komedies geven bijna altijd de Nederlandse leefregel mee; Waag het niet om jezelf te serieus te nemen, want hoon en spot zullen je deel zijn.
De provincie In Nederlandse films is het niet ongewoon om de provincie te gebruiken als versterking van een thema. Film als Twee Zeeuwsche Meisjes In Zandvoort (1913), Mijntje En Trijntje Op De Schaats (1913), en Fanfare (1958) zijn een goed voorbeeld hiervan.
Een lange tijd na deze films bleef de provincie wel aanwezig, maar meer als decor. Pas met films als Andy- Bloed En Blond Haar (1978) en Spetters (1979) kwam de provincie weer naar voren. De Dream (1985) van Pieter Verhoeff is ook een goed voorbeeld. Het Fries werd in de film niet uit folkloristisch motief gebruikt, maar was een essentieel deel van het verhaal als taal van het volk werd het tegenover de taal van de heersende macht gezet.
Ook in Wilde Mossels (2000) speelt de provincie een grote rol. Het leven lijkt er eenvoudig en vredig, maar de onderhuidse spanningen zijn te voelen. Het verlangen van de jeugd om te ontsnappen aan de benauwende familiebanden en opvoeding is groot. De provincie verlaten lijkt de enige weg naar vrijheid.
Publiekstrekkers 1986 was het jaar waarin veel Nederlandse speelfilms werden uitgebracht die een groot publiek bereikte. Abel van Alex van Warmerdam, een komedie met een absurde kijk op het leven, zette Warmerdam definitief op de Nederlandse filmkaart. Mama Is Boos! van Ruud van Hemert, die de film Schatjes! opvolgde, was ook weer een succes.
Dick Maas kwam in dit jaar met Nederlands grootste succesfilm Flodder (1986). Het reclameoffensief voor de film was niet te negeren, met als gevolg dat de meeste grappen nog voor de première op tv te zien waren. Toch kochten meer dan tweeënhalf miljoen bioscoopbezoekers een kaartje om het geheel te zien.
Buitenlandse remakes George Sluizer waagde zich aan een boekverfilming in 1988. Het Gouden Ei van Tim Krabbé had hem dermate geïnspireerd dat hij het boek omtoverde tot de psychologische thriller Spoorloos waar alles op zijn plaats viel.

Het was niet ongewoon dat wanneer een buitenlandse film in Amerika indruk maakte er een Amerikaanse versie van werd gemaakt. Meestal gebeurde dit op zo’n Amerikaanse manier dat alle charme van het origineel verdwenen was. Sluizer kreeg echter de kans om zelf een Amerikaanse versie (The Vanishing) te maken, maar dan wel met happy end.
Opleving van de filmindustrie Begin jaren negentig waren er eindelijk weer filmacademiestudenten die films maakten die het heel goed deden. In 1991 werd de eindexamenfilm De tranen van Maria Machita (1991) van Paul Ruven bekroond met een Gouden Kalf in de categorie Korte Film. Het jaar erna was het Gouden Kalf voor beste Nederlandse speelfilm voor Ian Kerkhof met zijn film Kyodai Makes The Big Time. Het leek erop dat er een nieuwe golf van Nederlandse filmmakers aan kwam die hun passie voor film niet lieten frustreren door de restricties van filmfondsen en omroepdramaturgen.
Pim de la Parra betrok aanstormende filmmakers bij ‘minimal movies’, distributeur en producent Riek Hadders (Filmmuseum) bracht het werk van regisseurs waaronder Paul Ruven in de bioscoop. Van de Rietveld Academie kwamen later nog meer kunstzinnige talenten.
De daadkracht van deze stroming werkte aanstekelijk en inspireerde een wederopstanding van de Nederlandse film, die in de jaren tachtig op sterven na dood leek. De jaren negentig werden bedolven onder films met jongeren die ronddwaalden in existentiële leegte. Veel van de films hadden helaas wel conventionele dramatische uitgangspunten en zwolgen in melancholie en asfaltromantiek.
Documentaires leken voornamelijk meer te gaan over het naderen van het eind van een bepaalde manier van leven. In Het Is Een Schone Dag Geweest (1993) volgt filmjournalist Jos de Putter een jaar lang zijn ouders. Zij werken naar het einde van hun boerenbedrijf, omdat beide zoons geen interesse in overname hebben. In de documentaire Metaal En Melancholie (1993) van Heddy Honigmann zien we een aantal Peruaanse taxichauffeurs die, gedwongen door de economische malaise, naast hun baan wat bijklussen als taxichauffeur. Melancholisch verlangen ze allen naar het verleden, waar ze afscheid van hebben moeten nemen.
Fake documentaire In het midden van de jaren negentig doet de fake-documentaire zijn intreden. Films die in eerste instantie op een documentaire lijken, maar naarmate ze vorderen wordt men aan het twijfelen gebracht of het gaat om de werkelijkheid of om fictie. Voorbeelden hiervan zijn Kutzooi (1995) en Lap Rouge (1996, eindexamenfilm) beide van Lodewijk Crijns (Jezus Is Een Palestijn (1999), Met Grote Blijdschap (2001) en Loverboy (2003).
Van film naar televisieserie Succesfilms als basis gebruiken voor het maken van televisieseries werd steeds gangbaarder. Het succes van een film was nooit een voorbode voor het succes van de serie, maar de bekendheid van de film hielp wel mee. Films als Allstars (1997), Flodder (1986), Costa! (2001) en Shouf Shouf Habibi (2004) werden met succes omgetoverd tot televisieseries.
Serieuzer werk
Gelukkig werden er ook nog wat kritischere films en documentaires gemaakt. Bijvoorbeeld De Boekverfilming (1998) van Eddy Terstall, de film die alles behalve een boekverfilming moest zijn.
Het was een milde kritische reactie op het Nederlandse filmwereldje dat liever slecht verfilmbare maar goedverkopende boeken klaarstoomt voor het witte doek, dan aan de slag gaat met oorspronkelijke scenario´s die in onvervalste filmtaal geschreven zijn.
Portret documentaires deden het ook goed. Na Rock-´N-Roll Junkie (1994), de documentaire over Herman Brood, bleef het nog een tijdje rustig op het gebied van portretdocumentaires in filmmakend Nederland. Maar met de komst van André Hazes: Zij Gelooft In Mij (1999) kwam de stroom goed op gang. Elk denkbaar icoon werd getoetst aan de filmbaarheid. Bennie Jolink, frontman van de band Normaal, werd onder de loep genomen in Ik Kom Altied Weer Terug (2001). Ramses Shaffy werd gevolgd in Ramses (2002). In 2002 kwam ook Malle Appie uit waarin Albert Mol het onderwerp was.
Telefilms Op initiatief van de Nederlandse speelfilmproducenten werden de omroepen overgehaald om, door de productie van avondvullende televisiefilms, bij te dragen aan een klimaat waarin potentieel speelfilmtalent zich verder kon ontwikkelen. Na wat moeilijkheden werden de eerste zes telefilms in het voorjaar van 1999 uitgezonden.
Door de medefinanciering van de omroepen was het weinig riskant om jong talent een kans te geven, ook enkele ervaren filmmakers grepen hun kans. Beetje bij beetje begonnen meer omroepen zich te wagen aan deze constructie en het budget kon worden opgeschroefd.

Films als Bella Bettien (2002), Tussenland (2002), Ochtendzwemmers (2000) en Sloophamer (2003) zagen het daglicht en vele volgden. De meeste films behandelden onderwerpen die niet commercieel genoeg waren voor een bioscoopproductie, maar die wel waardig genoeg waren voor een goede film. De samenwerking tussen televisie en film werd benadrukt door sporadische bioscoopvertoningen van de uitschieters.
CV-regeling In 1999 zocht men een manier om de filmindustrie te stimuleren. Het antwoord kwam in de vorm van een fiscale maatregel. Belastingfaciliteiten moesten particuliere investeerders lokken en de Nederlandse film financiële ruimte geven. Aan de horizon gloorde namelijk een vaderlandse filmindustrie die de concurrentie met het buitenland aankon.
Het fiscale filmstimuleringsbeleid dat van start ging zorgde uiteindelijk voor veel verwarring en ergernis. Het idee was dat dankzij een cv-regeling (commanditaire vennootschap) er in vijf jaar een Nederlandse filmindustrie op poten zou worden gezet. Dat de filmbranche daarna zichzelf zou kunnen redden. Er kwamen succesfilms - vooral familiefilms – maar de regeling bleek in de praktijk helaas ook een onvoorzien effect te hebben.
Vermogende particulieren moesten worden verleid om in films te gaan investeren. De insteek paste bij het nieuwe politieke klimaat. Particuliere filminvesteerders werden als commanditaire vennoten aangemerkt, zodat hun investeringen fiscaal aftrekbaar waren. Banken wierpen zich op het ´beleggingsproduct´, dat zelfs bij filmflops een aardig rendement garandeerde.
De regeling was alleen zo buigbaar dat het niet alleen bonafide producenten, maar ook (buitenlandse) avonturiers aantrok. Een buitenlandse producent kon naar Nederland komen, een BV oprichten, een film maken en dan weer terug gaan naar zijn eigen land met de film zonder ook maar één cent uit te geven in Nederland.
Hier schrok de Nederlandse regering toch wel van, waarna ze de regeling op allerlei manieren probeerde aan te passen. Dit resulteerde erin dat producenten gek werden van de onduidelijkheden. Gelukkig had de cv-regeling niet zo´n grote grip gehad op het realiseren van filmprojecten. De meeste films waren alsnog gewoon zonder cv-regeling gerealiseerd. Uiteindelijk was het zo ingewikkeld geworden om cv´s op te richten, dat bijna niemand meer de moeite name.
In 2004 werd de cv-regeling na veel onduidelijkheid definitief ten grave gedragen. Een reactie hierop van de Nederlandse filmwereld was nadrukkelijk gericht op publiek en politiek in Amsterdam met de Middag van de Nederlandse speelfilm. Het publiek kon in Pathé City de grote publiekstrekkers van de afgelopen twee jaar voor een euro per stuk bewonderen. Ook presenteerden de film- en televisiewereld, ten overstaan van enkele Tweede Kamerleden en de staatssecretaris van Cultuur, eigen initiatieven om de productie en uitbreng van Nederlandse films zelf extra te ondersteunen.
Vervlogen tijden Rond de eeuwwisseling kwamen er opvallend veel Nederlandse films uit waaruit een schreeuwend verlangen klonk naar knusse vervlogen tijden. Naar de tijd waarin kinderen nog ontzag hadden voor hun ouders en de straten nog werden schoongeschrobd. Films als Ja Zuster, Nee Zuster (2002), Minoes (2001), De Schippers Van De Kameleon (2007), Kruimeltje (1999), Pietje Bell (2002) en Pipo En De Parelridder (2003) namen ons weer mee naar de tijden dat alles nog overzichtelijk en eenvoudig was.
Het was tijd voor een ode aan de vervlogen tijden. Dit was niet alleen de mening van de filmmakers, het publiek ging er massaal in mee. In een tijd waarin de technologie zich razend snel ontwikkelde, waarin de breuk met de vertrouwde twintigste eeuw een feit was en alles onoverzichtelijker werd was er een grote behoefte om terug te gaan naar de wereld van vroeger die nu simpel en veilig leek.
Ondanks deze hang naar vroeger kwamen er ook tegelijkertijd een reeks arthousefilms uit waaruit juist het ruige provincialisme naar boven kwam. Films als Wilde Mossels (2000), Van God Los (2003), Nynke (2001) en De Poolse Bruid (1998).
Nouvelle Violence
De Nouvelle Violence die in de jaren negentig de misdaadfilm nieuw leven inblies kreeg in 2000 ook een beetje grip op de Nederlandse film. De misdaadfilm Lek (2000) is hier een goed voorbeeld van. De film bevat wel wat minder buitensporig geweld dan de buitenlandse producties, maar het heeft wel de vaart en spanning. Een ander voorbeeld is Van God Los (2003); een film geïnspireerd op de gewelddadige acties van de Bende van Venlo. De film laat het verhaal zien van een fatale vriendschap die kracht wordt bijgezet door de rooms-katholieke, provinciale omgeving waarin deze zich afspeelt.
Veranderende tijdsgeest 2001 werd het jaar waarin soapacteurs en -actrices speelfilmacteurs werden. Hoewel het niet helemaal ongebruikelijk was om televisiebekendheden te gebruiken in films en om grote voorpubliciteit te creëren, was het bij de film Costa! misschien wel voor het eerst dat deze factoren bij elkaar kwamen. In elk geval wel voor het eerst met groot succes.
De no-nonsens-mentaliteit van veel Filmacademie- en Filmwetenschapstudenten in de jaren negentig, voor wie Joop van den Ende de held was en niet Jean-Luc Godard, deed zich nu ook gelden. Zelfs de subsidie kant zette vaart achter het zoeken naar commerciële projecten. In 2002 was het Nederlands Fonds voor de Film zelfs trotse medesubsidiënt van Costa!-opvolger Volle Maan.
De veranderde tijdsgeest lijkt bijgedragen te hebben aan een iets bestendiger Nederlands filmklimaat. Van de twintig best bezochte films sinds 1996 dateren er zeventien van na Costa!. Alles is relatief natuurlijk, maar het is wel opvallend.
Het succes van de film zorgde voor een minder verkrampte houding ten opzichte van succes, glamour en genrefilms. Met films als Costa! werd er een nieuw publiek, dat niet het vooroordeel had dat Nederlandse films 'toch niks zijn', aangeboord. Een publiek dat zich simpelweg liet leiden door het vooruitzicht op onbekommerd bioscoopplezier met de bekende gezichten van de televisie.
Nieuwe generatie Rond de twintigste eeuw waren meer en meer filmmakers van de MTV-generatie. Dat was goed te merken aan de manier waarop hun films gemaakt werden. Ze hanteerden een veel ´lossere´ beeldtaal en benaderden hun onderwerpen vrijer dan hun voorgangers. Het trage, logge van de Nederlandse film leek verdwenen en te hebben plaatsgemaakt voor frisse en energiekere benaderingen. Films mochten eindelijk wat lichter en luchtiger zijn, zoals te zien is in Loenatik, Ja Zuster, Nee Zuster en Volle Maan.
Multi-Culti Het jaar van de multiculturele komedie en tragedie was wel 2004. De eerste helft van dat jaar stond in het teken van het onverwachte succes van Nederlands eerste multiculturele komedie Shouf Shouf Habibi!, de tweede helft was voor Ayaan Hirsi Ali's filmische aanklacht tegen mishandeling van islamitische vrouwen genaamd Submission, Part One.
Het succes van Shouf Shouf Habibi! was zeer onverwacht, hierdoor had de Nederlandse filmwereld wel opeens een nieuwe doelgroep ontdekt, jonge allochtonen. Bioscoopketen Pathé zette voortaan Turkse en Marrokaanse films op het programma. Er kwamen steeds meer zogenaamde mocromovies uit waaronder Het Schnitzelparadijs (2005) en Bolletjes Blues (2006). Ook de filmacademie begon een wervingsactie om allochtone filmmakers in spé te trekken.
Filmland in shock
Theo van Gogh, de regisseur van Submission, Part One werd op 2 november 2004 op brute wijze vermoord naar aanleiding van de film. Het gevolg van de moord op Theo van Gogh was dat er de vraag rees 'Hoever kan je nog als maker gaan bij het bekritiseren van andere meningen en geloofsovertuigingen?'. Het resulteerde er zelfs in dat een vervolg op Shouf Shouf Habibi! direct in de ijskast werd gezet, omdat de mening was dat het onder de omstandigheden niet kon worden uitgebracht. De film Submission, Part One werd voorlopig niet meer vertoond, om de medewerkers niet aan onnodig gevaar bloot te stellen.
Als reactie op de dood van van Gogh kwam de film Allerzielen uit. Een reactie van collega producenten, regisseurs en scenaristen op zijn dood, vormgegeven in een compilatie van 16 korte films.
Steun vanuit een andere hoek In 2004 verschenen veel multiculturele en artistieke films die hun weg naar de bioscoop vonden buiten de gebruikelijke kanalen om, wat zeer opvallend was.
Fighting Fish, de eerste Nederlandse kungfufilm, werd voor 400.000 euro buiten het Filmfonds om gemaakt. Dit was mogelijk dankzij de steun van distributeur UIP/Universal en het Rotterdams Filmfonds, en vooral dankzij particulieren.
De Surinaamse romantische komedie Madame Jeanette kwam tot stand als televisiefilm voor minder dan 6 ton, zonder Filmfondsgeld of distributeur.
De low budget opdrachtfilm Cool! van Theo van Gogh werd gefinancierd door het Glen Mills Instituut en de film Beat werd gemaakt met een budget van 500 euro door een derdejaars filmacademiestudent.

Kleine successen 2004-2005 was voor de Nederlandse film geen geweldig jaar in de bioscopen. Een aantal films, waar hoog op was ingezet wat de publiekscijfers betreft, maakten de verwachtingen niet waar. Films zoals Erik Of Het Klein Insectenboek (2004), Floris (2004) en Pluk Van De Petteflet (2004), die elkaar in de belangrijke decembermaand beconcurreerden.
Het werd ook duidelik dat de succesformule van films als Costa! was uitgewerkt, zoals Snowfever en Amazones aantoonden. Gelukkig waren er wel nog wat bescheiden successen voor Nederlandse films op buitenlandse filmfestivals. Films waaronder Paradise Now, Cool! , In Oranje, Guernsey, Verborgen Gebreken en de documentaires De Stand Van De Maan, Based On A True Story en Blue Bird deden het goed in het buitenland.

Ondertussen ging het wel goed met de meer kunstzinnige films. De gezamenlijke filmhuizen hadden meer dan twee miljoen bezoekers per jaar en ook Pathé had besloten om meer aandacht aan de artistieke films te besteden.
Opmerkelijk was ook de snelheid waarmee film en video oprukten op het terrein van de beeldende kunsten. Zo werd de Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië in de zomer van 2005 verzorgd door videokunstenaars en werd de belangrijkste prijs voor jonge kunstenaars, de Prix de Rome, gewonnen door een videokunstenares.
 Een andere onverwachte prijswinnaar was de film Ellis In Glamourland (2004) die een Gouden Kalf voor beste scenario ontving en diverse jury en publieksprijzen ontving op internationale filmfestivals.
Nieuwe lichting Op het doek verschijnen steeds meer nieuwe gezichten. Niet meer de types met de geijkte toneelmaniertjes uit de rijkere gezinnen, maar een nieuwe generatie bestaande uit de meer gewone mensen. Jong en heel enthousiast, die graag wilden werken, óók voor weinig geld.
Vele acteurs en actrices die in films van Eddie Terstal hadden gespeeld kregen steeds bekendheid. Een goed voorbeeld van de nieuwe acteursgeneratie is te zien in Boy Meets Girl Stories (2005). Met de komst van de nieuwe generatie acteurs ontstond er ook een nieuw Nederlands acteren. Het acteren werd eindelijk serieuzer genomen, het werd eindelijk meer en meer als een vak gezien.
Ondertussen zette de multiculti-komedietrend door met Het Schnitzelparadijs die meteen ook de Nederlandse filmhit van 2005 werd. De jeugd had ook niets te klagen met films zoals De Griezelbus, Kameleon 2, Knetter, Lepel, Het Paard van Sinterklaas en ZOOP In Afrika.
Actie De tijd was rijp om weer een poging te ondernemen een echte Nederlandse actiefilm te produceren. Sinds Amsterdamned (1988) en de Flodder-trilogie waren er geen meer uitgekomen. Vet Hard het speelfilmdebuut van Tim Oliehoek was het antwoord. Helaas werd de film niet bijzonder goed bezocht, toch stond Vet Hard op nummer 7 in de lijst van 10 best bezochte Nederlandse films van 2005.
Succes Het najaar van 2006 stond in het teken van de comeback van Paul Verhoeven, die voor het eerst sinds 1983 weer een film in Nederland maakte. Het veelbesproken Zwartboek ging op 1 september in première in de competitie van het filmfestival van Venetië, elf dagen later gevolgd door een Koninklijke première in Den Haag. De film was toen al verkozen tot de Nederlandse inzending voor de Oscars en werd kort daarop de grote winnaar op het Nederlandse Film Festival met drie Gouden Kalveren voor Beste Film, Beste Regie en Beste Actrice.
Ook films als Langer Licht en Nachtrit werden goed ontvangen en er was ook een heuse terugkeer van de Nederhorror met films als DoodEind en Sl8n8.
Dvd versus bioscoop Opvallend was dat films eerder op dvd werden uitgebracht dan in de bioscoop. Gelukkig dankzij Zwartboek, dat in januari 2007 door één miljoen-bezoekersgrens brak, bleef de daling van het binnenlandse marktaandeel beperkt. Maar drie Nederlandse jeugdfilms bleken in staat (ruim) door de honderduizend-bezoekersgrens te breken: Zoop In India, Afblijven en Kruistocht In Spijkerbroek. Drie documentaires die het opvallend goed deden waren Buddha´s Lost Childeren, Forever en 4 Elements.
Meer waardering in het buitenland
Opvallend zijn de tekenen die erop wijzen dat de kwaliteiten van de Nederlandse cinema buiten onze grenzen soms beter herkend en gewaardeerd werden dan in eigen kring. Films die bij ons niet echt goed bezocht werden kregen op buitenlandse film festivals o.a. publieksprijzen. Voorbeelden van films die elders in de prijzen vielen zijn TBS, Kruistocht In Spijkerbroek, Tussenstand en Panman.
Top jaar 2007 was een topjaar voor de Nederlandse film. Met het hoogtste bezoekersaandeel van het hoogste van het afgelopen decennium. In totaal trokken de bioscopen ruim 22 miljoen bezoekers.
De film Alles is Liefde alleen al trok meer dan 1,2 miljoen bezoekers. Ook trokken Waar is het Paard van Sinterklaas?, Zoop in Zuid-Amerika, Ernst, Bobbie en de Geslepen Onix, Timboektoe, Moordwijven en De Scheepsjongens van Bontekoe elk meer dan 100.000 bezoekers. Het leek erop dat de Nederlandse speelfilmindustrie eindelijk weer stabiel begon te worden.
Van analoog naar digitaal Het digitale tijdperk leek eindelijk voet aan de grond te krijgen in de Nederlandse filmwereld. Dit was vooral te merken aan het aantal films dat afkomstig was van wat wel de doe-het-zelf of Gamma-generatie is genoemd. Een bond gezelschap van nieuwe (semi)professionele of amateurmakers met speelfilmlange ambities, beperkte ervaring, niet noodzakelijk een aan film gerelateerde opleiding, gebrek aan Filmfondssteun en /of een distributeur, maar - het belangrijkst - praktisch allemaal geholpen door digitale video als goedkope beelddrager.
Ook zijn er ook steeds meer Nederlandse films online te bekijken, te koop en te downloaden. De eerste grotendeels mobiele telefoon gedraaide speelfilm en de eerste (korte) virtuele documentaire komen uit.
De digitalisering van de Nederlandse bioscopen en filmtheaters volgens de zogenaamde 2k-norm vorderde langzaam. Een belangrijke noviteit in de grotere commerciële bioscopen was introductie van de digitale 3D-vertoning.

De Nederlandse film weer on top Het succes van Nederlandse films bleef ook in 2008 voort zetten. De Nederlandse films bleven de vaderlandse bioscopen domineren en zorgden voor een marktaandeel van zeventig procent, en brachten bijna zestig procent binnen van de totale kassaopbrengst. Dit succes was voornamelijk te danken aan de films Anubis En Het Pad Der 7 Zonden, Bride Flight, Radeloos, en Sinterklaas En Het Geheim Van Het Grote Boek.
De opmars van de Nederlandse film vond plaats over een redelijk breed front. Alleen de kunstzinnige film had het nog steeds wel moeilijk. De bezoekersaantallen van de meeste artistieke films waren, ondanks positieve recensies, zeer teleurstellend. El Olvido en Kan Door Huid Heen deden het wel goed met ruim tien duizend bezoekers.
Internationaal ging het met de artistieke film veel beter. Gerenommeerde buitenlandse festivals lieten hun oog vallen op Nederlandse speelfilms, documentaires en korte films.
Veel Nederlands succes in de bioscoop
Ook in 2009 deed de Nederlandse film het bijzonder goed in de bioscopen. Met toppers als Komt een vrouw bij de dokter, De Storm, Oorlogswinter en Terug naar de kust vierde de Nederlandse film weer hoogtij. Ook was er voor de jeugd volop keus aan Nederlandse films. Met onder andere SpangaS op survival, Anubis en de wraak van Arghus, Kikkerdril en Sinterklaas en de verdwenen pakjesboot was er genoeg reden om een bezoekje aan de bioscoop te brengen.
De filmjournalistiek
Op het terrein van filmjournalistiek ging het heel slecht. Het glossy filmmagazine FilmValley ging failliet, en ook voor Cut! viel na een jaar alweer het doek. Ook kwam er na zestien jaar een einde aan Filmspot, het door Jac Goderie gepresenteerde filmprogramma dat wekelijks te zien was op een groot aantal lokale en regionale zenders. Na veertig jaar verscheen begin 2009 het laatste nummer van het filmtijdschrift Skrien; uiteindelijk kon Skrien in 2010 toch een doorstart maken. |